cialc beweging, die wel steeds wat anders voortbrengt, maar nooit iets goeds, en de stille dood, die immers toch aan het einde van alles, ook aan het einde van de „beweging” op ons wacht? Is de beweging tcrwille van het bewegen, de strijd die de vader van alle dingen is, het dynamische beginsel, of hoe men het ook noemen wil, iets mèèr waard dan het niet, het Nirwana, de erkenning van de ijdelheid aller dingen?
In zulke stemmingen kan wellicht alleen slechts een vastberaden terugkeer tot het aardse en het zinnelijke redding brengen. Als niet de zon, het licht en de warmte, het gras en de bomen, de klanken en de kleuren, de mannen en de vrouwen, iets voor ons betekenen, dan is inderdaad het leven volkomen zinneloos, en dan is het nobeler er een eind aan te maken, dan onze medemensen te pesten met bovenzinnelijkheden en idealen, die toch nooit iets anders zijn dan (aangebrande) aardse spijzen. Wie hier en nu z’n potje niet kan koken, kookt het in gedachten — dus ook niet — in de toekomst of In het hiernamaals.
Zou men teruggekeerd tot de aardse opvatting, het socialisme willen omschrijven, dan zou men het moeten hebben over een wereld met mensen die, beter dan op heden, in staat zijn van „klanken en kleuren” te genieten, niet alleen omdat ze grotere hoeveelheid ervan ontvangen, (doordat ze behoorlijker wonen, eten, gekleed gaan, meer vrije tijd hebben, grotere stukken van de aarde kunnen bekijken), maar ook en vooral, omdat ze persoonlijk beter lot dat genieten in staat zullen zijn, doordat ze vrijer, beminnelijker, waardiger, rustiger, en toch intenser leven en dus beter met zichzelf en anderen kunnen omgaan.
Het is duidelijk dat een dergelijke toestand slechts mogelijk is, in-dien gelijktijdig aan twee reeksen van voorwaarden voldaan kan worden.
Gelijktijdig, want vrijwel al onze rampen en mislukkingen komen voort uit ’t niet willen erkennen van de noodzaak dier gelijktijdigheid, uit de verkeerde opvatting dat men eerst de ene reeks van voorwaarden, de materiële voorwaarden zou moeten scheppen, zich als het ware blindelings hierop zou moeten concentreren, terwijl men daarna eerst de tijd zou kunnen vinden (en de basis zou hebben gelegd) voor de andere reeks, die van de morele of indien men een juister en meer omvattend begrip wd gebruiken, de culturele voorwaarden.
De tegenwerping dat cultuur niet mogelijk is zonder een materiële basis lijkt heel wetenschappelijk en afdoend, doch ze is alleen maar