schappij der soldaten en politie-agenten, der ambtenaren en juristen, der priesters en geleerden, voor zover al deze lieden die heerschappij uitoefenen ten bate van zichzelf en enige aanverwante groepen of klieken onduldbaar is, maar dat ook de grondbezitters en de fabrikanten, de bankiers en de handelslieden een heerschappij uitoefenen, waarop zeer in ’t bijzonder gewezen moet worden omdat ze minder opvallend maar niet minder drukkend is, en dat ook deze heerschappij moet verdwijnen.
Voor zover een dergelijke formule dus de bedoeling heeft er op te wijzen dat het „socialisme” niet verkregen kan worden door maatregelen van uitsluitend politieken aard, doch dat het juist zeer in het bijzonder maatregelen op het gebied der economie eist, heeft ze een zekere verdienste. Ze wordt eerst gevaarlijk zodra ze zó wordt opgevat, — en dat blijkt maar al te vaak het geval te zijn — dat, als maar het onteigeningsproces voltrokken is, de dan ontstane toestand óf al socialisme is, óf in ieder geval tot socialisme wordt. Gevaarlijk, omdat het een ongehoorde lichtzinnigheid is èèn van de tientallen maatregelen die nodig zijn om het socialisme mogelijk te maken een maatregel die bovendien op een zo algemene wijze aangegeven wordt, dat niemand precies weet wat er nu eigenlijk mee bedoeld wordt, in de plaats te stellen van het gehele omvangrijke complex. Gevaarlijk, omdat op dergclijke wijze de suggestie gegeven wordt, dat al het overige eigenlijk niet eens het overdenken waard is, omdat, als maar het privaat-bezit is verdwenen, al het andere de mensheid toegeworpen zal worden — terwijl in werkelijkheid om ieder van de vele factoren wier harmonisch totaal eerst de naam van socialisme verdient, geworsteld, gewerkt en gedacht zal moeten worden.
Men neemt het gevaar niet weg, doch men voegt er juist nog een dwaasheid aan toe, als men wil bewijzen dat een dergelijk verwijt ongegrond is, wijl immers de definitie ver van negatief te zijn, integendeel precies alles zou omvatten, omdat ze nadrukkelijk vertelt dat die fameuze grond en productiemiddelen, niet alleen aan het privaat-bezit onttrokken moeten worden, doch ook nog op een bepaalde wijze beheerd moeten worden: „in handen der gemeenschap”! Integendeel, wie nu precies zegt hoe die gemeenschap er uit moet zien, en hoe ze zich moet gedragen, die heeft ons een belangrijke schrede nader gebracht tot het begrip van het socialisme. Begeeft men zich op die weg, dan blijkt al spoedig dat het juist van die „gemeenschap” afhangt, of de nieuwe toestand waarin de grond en de productiemiddelen zich bevinden enig heil zal bren-
21 i