En om een belangrijke factor voor zijn succes niet te vergeten: „In an age given to statistics and formulas the artists welcomed in-tuition”. Nog in 1923/24 publiceerde de belangrijke literaire criticus Albert Thibaudet zijn meer dan 500 bladzijden die de titel dragen van „Lc Bergsonisme” en die bewijzen hoeveel een zeer belezen en gemakkelijk pratend artist naar aanleiding van Bergson kan praten. Met behulp van Bergsons cliché kon men al het geschrevene herschrijven, en dan bovendien nog de indruk maken origineel te zijn. Verdediging tegen de koude wereld der wetenschap vroegen de kunstenaars, die nog niet geleerd hadden zich van die wereld te bedienen, aan filosofie of religie. In Bergson vonden ze een filosoof die méér was dan een verdediger, die tot den aanval overging.
Maar dit alles was toen Thibaudet zijn bock schreef, reeds vergane glorie en herinnering. Er kwam beweging genoeg in de wereld van na 1914, doch het was geen Bergsoniaanse beweging, maar een naar boven komen van onderaardse vitale krachten, die weldra zouden bewijzen dat, zoals Edman zegt (Henri Bergson; The Nation, 18/i '41): „The world is a machine making devils as well as gods”. Een steeds hulpelozcr wordende oude man zag dit alles geschieden, en poogde wellicht nog in „Les deux sources” een dam op te werpen tegen de vloed, die hij zelf had helpen veroorzaken.
Doch evenmin als het élan vital Frankrijk in de vorige oorlog iets anders had gebracht dan verpletterende nederlagen en milliocnen slachtoffers, veroorzaakt door de, mechanisatie en wetenschap verachtende „Bergsoniaanse generale staf”, evenmin kon het voorzichtiger geworden Bergsonisme in de verdediging van de Maginot-linie, en het bekeerde Bergsonisme, van oude geloven, iets anders vóórtbrengen dan nederlaag en schande. Hier hadden alleen de intelligentie en het door wetenschappelijk inzicht geleide, van alle beschimmelde en perverse gevoelens bevrijde, sociale bewustzijn, redding kunnen brengen, biet ontbreken daarvan volkomen op rekening te stellen van het Bergsonisme zou grotesk zijn. De medeplichtigheid van Bergson vast te stellen blijft nodig, ook al is hij zelf het slachtoffer geworden van de rebarbarisatie die hij heeft bevorderd, en al heeft hij zich als slachtoffer gedragen als de voorname en nobele mens die hij altijd was: de mens die steeds bevestigde, maar die, in tegenstelling tot de geest die steeds ontkent, „altijd het goede wil, en altijd het slechte tot stand brengt” ... als wilden de hogere machten waar hij aan geloofde, de spot drijven met zijn theorie van de vrije wil en de scheppende, d.i. naar hoger strevende, evolutie.
208