hij zich over de onrechtvaardige behandeling. „In mijn „Essai”, zegt hij, heb ik aangetoond dat het determinisme verkeerd is, en dat dus de vrije wil bestaat. In „Matière et Mémoire” heb ik de werkelijkheid, de onafhankelijkheid en de suprematie van den Geest aangetoond. In L’Évolution créatrice bewijs ik de feitelijkheid van de Schepping. Uit dit alles blijkt dat ik geloof in een scheppendcn en vrijen God, wiens scheppingswerk door de vorming van menselijke persoonlijkheden wordt voortgezet.” Hij had er nog aan toe kunnen voegen dat hij in opstellen en voordrachten ook voor de onsterfelijkheid van de ziel is opgekomen, om zo te bewijzen dat hij alle leerstukken der theologie opnieuw „bewezen” heeft. Hij vergat echter dat de theologie vóór alles aanvaarding van de oude bewijzen en de oude openbaringen eist. En daar is Bergson eerst in de allerlaatste jaren van zijn leven toe gekomen, zodat omstreeks '38 de eerste geruchten over zijn overgang naar het Katholicisme opdoken, geruchten die uitcindelijk door een brief in het Katholieke tijdschrift „La Vie Intellcctuelle” bevestigd werden.
Doch voordien had hij nog zijn bock „Les deux sources de la morale et de la religion” geschreven (1932), een boek dat wel door en door religieus is, doch in vrije, niet in kerkelijke zin. Het onderscheid dat hij hier maakt tussen gesloten en open maatschappijen, tussen statische en dynamische religie, laat een duidelijke voorkeur uitkomen voor de ethiek van open geest en open maatschappij, en vooi de dynamische religie, die een nooit eindigende reeks van mystieke belevingen en openbaringen is.
Men kan, dit laatste grote werk van Bergson lezend, niet de indruk opzij zetten dat Bergson In de latere jaren geschrokken moet zijn van het succes dat zijn filosofie bij de geestelijke en politieke reactie heeft gehad. De opkomst van het Italiaans fascisme, en de groei van het Duitse, na 1930, moet hem hebben doen inzien dat, zoals Irwin Edman zegt: The élan vital mcans a renaissance to a poet: to the barbarian it mcans brute power”.
In zijn laatste boek verstout hij zich zelfs de beperkingen van het nationalisme, en van de souvereinc staat, uitdrukkingen van een gesloten maatschappij, in het licht te stellen, terwijl hij in de oorlog van T4—T8 Frankrijk, als het rijk van de geest, verheven had boven Duitsland, het land van materie en machine, en de oorlog zelf, de dood aan het front, had geprezen als „het concrete leven”. Nu werd daarboven gesteld het visioen van een wereldomvattende open maatschappij, verkregen door het steeds sterker worden van een religieuze democratie. Er overheerst een mildheid en een geest van verzoening, ook al worden de oude thesen allen gehandhaafd.
206