dat het leven een élan bezit, waardoor het de weerstand der stof overwint, dat het als een stroom is, die zich verdeelt, die vaak in het niet verloopt, doch in plant, dier en mens zijn drie grote geslaagde vertakkingen heeft, waarbij de plant nog volkomen onbewust is, de dieren echter een instinct hebben, dat zich naar de vormen des levens heeft geplooid, en de mensen hun verstand, hun intellect, dat de inwerking op de stof tot voornaamste vermogen heeft, maar dat veroordeeld is tot een natuurlijk gebrek aan begrip voor (of juister aanvoelen van) het leven, dan wordt het ons duidelijk dat dit alles geen spoor van een verklaring bevat, doch op zijn best een volkomen willekeurig beeld Is.
Het is een klein kunstje voor „het leven” om zich zo te gedragen als Bergson beweert, aangezien het van hem, bij de aanvang, alle eigenschappen ontvangen heeft, die nodig zijn om te handelen alsof het een scheppend wezen was. Wat Bergson ons geeft dat is de gewone theologisch-teleologische verklaring van leven en wereld, niet in de taal van Babylonische astrologen en mystieken, doch in de taal van de biologie eind negentiende eeuw.
Dat „De scheppende evolutie” boeiend is als een roman, ontken ik niet, dat het bladzijde na bladzijde van scherpzinnige critiek geeft, critiek die ook nu haar waarde nog volkomen bezit, en zal blijven bezitten zolang er mensen zijn die menen dat zij alle vraagstukken van natuur en leven volkomen hebben opgelost, en die een dergelijke verabsolutering van fragmentarische wetenschaps-rcsultaten nog „wetenschappelijk” vinden ook, dat te erkennen is een „daad van eenvoudige rechtvaardigheid”.
Van hoeveel betekenis de worsteling van het verstand met de materie geweest is, en nog is, en hoezeer de mens een „werktuig-makend dier” is, om de uitdrukking van Benjamin Franklin te herhalen, dat vindt men bij Bergson uiteengezet op een wijze die aan historisch materialisme herinnert, al heeft Bergson zijn inzicht in deze dingen niet aan Marx ontleend, doch aan Paul Lacombc, den auteur van „De 1’histoire considérée comme Science”.
Doch Bergson denkt er niet aan, de groei van de menselijke geest in zijn strijd om en met het werktuig verder te onderzoeken, en bv. te zien dat de mens des te onbeschroomder is in zijn cosmologieën, naarmate hij armzaliger is in zijn beheersing van werktuig en natuur. Neen, voor Bergson is die hele strijd om de beheersing en organisatie der aarde, eigenlijk een bewijs voor ons gebrek aan scheppende kracht; het is voor hem een bewijs voor onze wanstaltige groei in een verkeerde richting. Durfde hij consequent te zijn, dan zou hij moeten zeggen dat al die verstandsveroveringen even zoveel hinderpalen zijn voor het bereiken van het enige dat waarde
204