den een verklaring te laten geven van wat hij onder intuïtie verstaat. Ditmaal krijgen wij een voorbeeld, iets concreets dus: en andermaal gebruik ik de vertaling van den bekenden Nederlandsen filosoof Antoon Vloemans, opdat men mij niet verwijten kan de zaak verkeerd weer te geven: „Er is tenminste één werkelijkheid, die wij allen van binnen-uit begrijpen, door intuïtie en niet door blote analyse. Het is onze eigen persoon in zijn afloop door den tijd heen. Het is ons ik, dat duurt, biet is mogelijk, dat wij met geen enkel ander ding geestelijk kunnen samcn-voelen. Maar zeker voelen wij samen met onszelf.” Dit nu begrijp ik zeer goed; goed genoeg om te weten dat bij de twijfel aan deze zekerheid, de psychologie eerst begint, en dus ook de filosofie, voor zover ze enige waarde heeft.
Het zou mogelijk zijn, als men zich tot taak stelde, inplaats van een korte beschouwing, een boek over Bergson te schrijven, aan te tonen dat ook het beste werk van Bergson, „Maticre et mémoire”, telkens op dergelijke verbale rodomontades, of op dergelijke intellectueel onverantwoorde beweringen uitloopt, zodra de critiek op een al te gemakkelijke mechanistische opvatting van de mensclijke geest, — een volkomen berechtigdc critiek die door Bergson vaak met heel veel intelligentie gegeven wordt — overgaat In de uiteenzetting van wat er nu wel aan de hand is. Zolang Bergson bij het door hem verachte intellectuele denken blijft, zolang het verstand bij hem spreekt, is hij niet slechter dan andere critische denkers, en vaak zelfs beter. Doch zodra hij naar voren komt met de „spécialité de la maison”, dc Intuïtie, de durée, is het resultaat op zijn best buitengewoon pover. Hij bewijst dan dat zijn kracht uitsluitend ligt in de critiek op het wereldbeeld van Comte, Spencer en hun geestverwanten, en dat de hele rest „literatuur” is.
Zo kan men, om tot zijn meest bekende werk, „L’Évolution créa-trice” te komen, zeer zeker de vernuftigheid van de critiek op de evolutie-theorie van Spencer bewonderen. Als hij er op wijst dat de truc van Spencer hierin bestaat, dat hij de ontwikkeling uit brokstukken van het ontwikkelde reconstrueert, dat hij de bestaande werkelijkheid neemt, haar in stukken breekt, die stukken weer in elkaar zet als een mozaïek, en dan meent een ontwikkelingsgang aangetoond te hebben, terwijl hij op zijn hoogst bewezen heeft dat er vele, op elkaar volgende stukken zijn, doch niets van een proces heeft aangetoond, dan kunnen we deze redenering van Bergson aanvaarden.
Doch zodra Bergson met zijn eigen verklaring naar voren komt, met de verklaring die inhoudt dat er een scheppende evolutie is,
203