taal niet in staat Is goed uitdrukking te geven aan alles wat niet betrekking heeft op de ruimte, doch op die andere wereld waartoe de durée behoort, de wereld van de tijd, d.w.z. de tijd zoals die door Bergson wordt opgevat.
De duur, de echte duur, die onmiddellijk beleefd wordt, en die men niet moet verwarren met de uiterlijke, meetbare, homogene duur, de durée réclle, die tot het geheiligde gebied van de scheppende tijd — temps-inventeur — behoort, en niet tot het profane van de mathematisch-fysischc tijd — tcmps-longucur — (die volgens Bergson geen tijd Is, doch tot de ruimte behoort), blijkt, als men het gaat onderzoeken, bij Bergson identiek met het bewustzijn, het Ik, de geest, het leven, het Absolute, en dus met God.
Men zou de hele filosofie van Bergson kunnen kwalificeren als de strijd tussen ruimte en tijd, waarbij men ook zonder bijzondere intuïtie kan begrijpen dat hier alleen maar nieuwere uitdrukkingen werden „geschapen”, om de oude strijd tussen materie en geest, lichaam en ziel aan de orde te stellen op een wijze die minder vervelend was dan het gepraat der huisbakken filosofen en theologen, een wijze die heel erg wetenschappelijk aandeed, en die toch de minderwaardigheid van de wetenschap vaststeldc. Want zoals men al begrepen heeft, alles wat slecht en minderwaardig is, behoort bij Bergson tot het rijk van de ruimte, en alles wat diepzinnig, edel, voornaam is, behoort tot het rijk van de tijd. Vandaar dat de grove opmerking: het enige nieuwe in Bergsons filosofie Is, dat, wat men bij anderen „gezwam in de ruimte” moet noemen, bij hem „gezwam in de tijd” is — vandaar dat die grove opmerking eigenlijk volkomen juist is. Want we zijn hier nergens anders dan bij het oude dualisme, dat in spiritualistische zin opgclost wordt.
Niets heeft Bergson onaangenamer getroffen dan dit ontwikkeling der natuurwetenschapen die tot het opstellen van de relativiteitstheorie leidde, waarbij de tijd als een nieuwe as, een vierde dimensie In de ruimte werd geplaatst. Zijn boek „Durée et simultanéité. A propos de la théorie d’Einstein”, is dan ook een poging om aan te tonen dat die theorie geen verklaring van de werkelijkheid is, doch alleen maar een methode van wetenschappelijk onderzoek. De werkelijkheid is alleen intuïtief te begrijpen. De intuïtie is geen synthese, doch, zoals Bergson zelf in zijn „Inleiding tot de Meta-physica” zegt: „dit soort geestelijk aanvoélen, waardoor men zich verplaatst in het innerlijke van een voorwerp, om zich te identificeren met wat het aan enigs en bijgevolg onuitdrukbaars heeft”. Dat is duidelijk, ofschoon niet voor mij, en naar ik hoop ook niet voor de meeste van mijn lezers.
Doch laat ik nog een poging doen om Bergson in zijn eigen woor-
202