Anders gezegd, men kan zelfs over dat wezenlijke, de intuïtie, niet spreken, noch het bestaan ervan bevroeden, als de onwczenlijke dingen er niet zijn, zodat de betekenis van deze stomme en vormloze intuïtie, die zich alleen door het milieu kan openbaren, zelfs voor degenen die de opvattingen van Bergson aanvaarden, wel heel gering Is, als ze de moeite doen er dieper over na te denken, en niet tevreden zijn met het; „ik zie, ik zie, wat jij niet ziet” — waarop dergclijke diepzinnigheden tenslotte neerkomen. De grote filosoof heeft volgens Bergson één enkele intuïtie: een enkele openbaring, of blijde boodschap, of idee, om andere terminologieën te gebruiken. En hij slaagt er zelfs niet in die tot uitdrukking te brengen — hij probeert het alleen met een geweldige geestelijke inspanning, en daarom alleen doet hij zooveel stof opwaaien. Dat alles klinkt bescheiden genoeg, doch de hoogmoed ervan wordt duidelijk als men zich herinnert dat deze donkere drang, die woordcnloos en vormloos en inhoudsloos is, deze beweging van een mysterieuze kracht in een concreet historisch milieu, voor Bergson en de zijnen veel bclangrijker is dan alles wat er in natuur en maatschappij aanwezig is. Al het andere is er alleen opdat de intuïtie zich erin kan bewegen, ja, opdat de intuïtie zich kan roeren.
In een bekende brief aan Höffding heeft Bergson als het centrum van zijn filosofie „1’intuition de la durée” genoemd. Wie het moeilijk vindt de betekenis hiervan te vatten, heeft in ieder geval de troost dat hij niet alleen staat. Geen enkel Bergsoniaan, Bergson inbegrepen, heeft ons andere dan even raadselachtige en vage omschrijvingen van dit centrale leerstuk gegeven.
Een enkel voorbeeld hiervan wil ik citeren. Bcnrubi, wiens beschouwing over Bergson in het reeds genoemde boek, door den meester zelf is nagekeken, zegt: „Was meint er damit? Es ist nicht leicht darauf eine ganz hefriedigende Antwort zu geben. Versuchcn wir es trotzdem durch Einfühlung, durch einen Akt der Sympathie zu tun. Wir finden darm als Kern den Gedankcn, dasz Leben scha-fendes werden bedcutet”. Ik geef deze omschrijving omdat men bij Bcnrubi te maken heeft met een geschoold filosoof die uiterst sympathiek tegenover Bergson staat, en dien men dus niet kan beschuldigen van vooringenomenheid. Niettemin kan hij niets anders doen dan zich in bochten wringen en als verklaring een andere snorkende frase uitstoten.
Men moet niet denken dat men bij Bergson, die dan toch beroemd is om zijn stylistisch vermogen en zijn helderheid, een duidelijker antwoord vindt. Of men moet tevreden zijn met de verklaring die in het voorwoord van Bergsons eerste boek te vinden is, n.1. dat de
201