encore fut-ce moins une vision qu’un contact: ce contact a fourni une impulsion, cette impulsion un mouvement, et si ce mouvement, qui est comme un certain tourbillonnement d’une certaine forme particuliere, ne se rend visible a nos yeux que par ce qu’il a ramassé sur sa route, il n’cn est pas moins vrai que d’autres poussières auraient aussi bien pu être soulevées et que c’eüt été encore le même tourbil-lon”. In deze passage uit Bcrgsons rede over „L’intuition philoso-phique” gehouden voor het philosophie-congres dat in 1911 te Bo-logna plaats vond, vindt men de kern van Bcrgsons opvattingen over filosoferen: de dingen die de filosoof bespreekt zijn eigenlijk bijzaak, ze zijn het stof dat hij moet doen opwaaien, opdat anderen zullen kunnen merken dat hij er is. Wat hij bespreekt hangt samen met de tijd waarin hij leeft, doch dat, en al de invloeden die op hem hebben ingewerkt zijn eveneens bijzaak, ze bepalen zijn materiaal en zijn weerstanden, en dus ook de zichtbare vorm.
Maar er is buiten en boven dat alles een zekere vormgevende kracht, die het eigene is aan een bepaalden filosoof: hij geeft aan alle dingen dezelfde draai, zou men kunnen zeggen als men minder gekuiste taal gebruikte dan Bergson, en hij zou, als hij in andere tijden geboren was, over andere dingen hebben gesproken, maar die eigenaardige draai zou men zijn tegengekomen bij alles wat uit zijn handen kwam, of hij nu Plato heette of Plotinus, Pascal of Schelling, Schopenhauer of Bergson.
Voor zover dit slechts een andere formulering is van de uitspraak dat dc persoonlijkheid van den filosoof in sterke mate een stempel drukt op het filosoferen van dien persoon, zal men geen moeite hebben om de betrekelijke juistheid ervan te erkennen.
Aan dc debatten over vorm en inhoud, kan dat over „vorm en vent”, dat een tijdlang bij dc Nederlandse literatoren in zwang was, worden toegevoegd. Maar afgezien nu nog dat dit dc hele filosofie terugbrengt tot dc psychologie der filosofen, tot een typologie zowel van de mensen als van het denken, zoals Jung ons dat gegeven heeft, daarmee dieper ingaand op dc dingen die Bergson slechts even aanraakt, afgezien ook van het sociologisch probleem, waarom bepaalde denktypen en psychologische typen in bepaalde tijdperken vaker voorkomen dan in andere, of althans meer invloed hebben, een probleem dat bij behandeling een heel ander licht werpt op het verband tussen vorm en inhoud dan Bergson doet met zijn formulering van de „toevallig op de weg liggende stof” die door dc filosofische werveling wordt opgewaaid, afgezien van dit alles blijft hier als wezen der filosofie iets over dat zich alleen kan manifesteren als de andere, volgens Bergson onwezenlijke, elementen, aanwezig zijn.
200