gekomen, en opgevoed tot een zekere mate van zakelijkheid, in de fabrieken, op de departementen en regeringsbureaux, in de handel, en in al de vrije beroepen, waarin meer gevraagd wordt dan woordenpraal, overal als concurrerende macht naar voren kwam. De oude groep die niets wist en niets kon, maar die zich geweldig voelde als aristocratie van een geest, welke bij analyse zou blijken uit niets te bestaan dan uit geloof in uitverkorenheid, in het bezitten van instincten, gevoelens, intuïties, die geen van allen een „op den keper bekeken worden” kunnen verdragen, die groep moest zich wel verzetten tegen alle onderzoek, alle analyse, alle verstandelijkheid, alle zakelijkheid, en die groep moest de onaantastbare en ongenaakbare instincten en intuïties, als hoogste waarden verkondigd wensen.
„Zoiets voel je, of je voelt het niet”, Is het eind van alle argumentatie — en de bedoelde groepen „voelden” dat ze recht hadden op een bijzondere plaats in de maatschappij, en ze wilden dat gevoel als de hoogste, de Goddelijke, waarheid zien vastgesteld door de filosofie zelf. Dit nu ongeveer — want minder grof — was wat Bergson deed.
Wie de mentaliteit van deze typische Bergsonianen wil leren kennen, leze het uiterst onbeschaamde boekje „Bergson, mon maïtre” waarin Gilbert Maire zijn herinneringen aan Bergson heeft samengevat. Men komt daar in het milieu van de vijanden der Derde Republiek, van de heden die sinds 1871 ieder relletje tegen de toch waarlijk niet overmatig democratische instellingen van de Franse staat hebben gesteund. De lieden die Boulangisten waren, nadat ze van te voren te vergeefs geprobeerd hadden als royalisten de „republiek der hertogen” (Daniël Halévy noemde haar zo, omdat in de eerste ministeries onder Thiers en MacMahon, de katholieke en royalistische hertogen als De Broglie de leidende figuren waren) op z’n Hitleriaans, met behulp van President MacMahon, (een voorlopertje van Hindenburg, zoals Pétain een nalopertje van die „figuur” is), in een Koninkrijk steunend op Kerk en Leger te veranderen, om vervolgens als anti-Dreyfusards voor de „eer” van het land te ijveren, en Ieder die geen dictatuur van militairen en priesters wenste, voor vriend van Duitsland en landverrader uit te maken.
Terwijl alles wat progressief gezind was in Frankrijk zich aaneensloot tegen deze reactionnaire en rijkehjk anti-semietische bedreiging, was Bergson, ofschoon van Joodse huize, een van de weinige intellectuelen van betekenis, die hardnekkig weigerden zich bij de Dreyfusards aan te sluiten. Hij bleef „neutraal”, maar de neutralen in dit conflict waren de voorzichtigere anti-Dreyfusards.
192