Parcto cn Wchcr, Poincarc en Lorcntz, De Vries en Dricsch, karakteristiek zijn. Het is met opzet dat bepaalde namen hier ontbreken, namen als die van Einstein cn Planck, van Freud cn Pavlov, want zij behoren, wat de doorwerking van hun opvattingen betreft, tot de periode van na Bergson. Immers Bcrgson, ofschoon hij in Januari 1941 is gestorven, cn ofschoon zijn laatste grote boek van 1932 dateert, behoort in feite tot een periode die van ongeveer 1890 tot 1914 loopt; en alleen de hopeloos achterlijken op geestelijk gebied leven nog steeds in de veronderstelling dat de stokpaardjes dier periode, met haar aanvallen op het intellectualisme en het materialisme, haar verheerlijking van intuïtie, mystiek en alles wat irrationeel is, ook nu nog bereden kunnen worden door mensen die er prijs op stellen op de hoogte van hun eigen tijd te zijn.
Op geestelijk gebied is die rel tegen het rationalisme en tegen de wetenschappen, waaraan Bcrgson in laatste instantie zijn geweldige populariteit te danken had, al lang gclikwideerd, al sluit dat juist in, dat alles wat tot de achterhoede behoort, er nu nog altijd mee komt aandragen als ware het de definitieve wijsheid, cn niet de „Mythus des zwanzigsten Jahrhunderts” en de geesteshouding van de Nazi-horden en van alles wat daarmee geestverwant is. Dat men rilt nu men de „vitale krachten”, zo lang verheerlijkt en opgeroepen, eindelijk in volledige ontplooiing en ware gedaante ziet, dat neemt niet weg dat „men”, de gemiddelde filosofische en geestelijke „men”, nog altijd meent het barbarisme te kunnen likwide-ren, door ccn beroep te doen op de geestelijke krachten die vrij baan voor dat barbarisme hebben gemaakt, de krachten van het irrationalisme.
Maar het is onvoldoende dit Bergsonisme alleen uit de geestelijke sfeer van zijn tijdperk af te leiden, want die sfeer zelf wordt, zoal niet geschapen, dan toch in hoofdzaak mogelijk gemaakt, door de maatschappelijke sfeer der gehele periode, een sfeer die men het best kan begrijpen als men gaat onderzoeken wie de aanhangers van Bergson waren, zo omstreeks 1907, het jaar van de „Evolution créatrice”, het jaar van Bergsons grootste roem.
Het publiek van Bergson werd, behalve door een groot aantal leden van wat Shaw genoemd heeft de „leeglopende rijkclui’s klasse”, in hoofdzaak gevormd door die studenten die tot de oudere en voornamere bourgeoisie van Frankrijk behoorden, cn die de kans om in de posities van hun vaders te komen, steeds geringer zagen worden. Die studenten, producten van de klassieke lycea, tot weinig meer in staat dan tot verbaal gepronk, ontdekten hoe een nieuw geslacht, uit de kleinere bourgeoisie en de arbeidersklasse voort-