De jongere filosofie heeft begrepen dat zulke pogingen al te gemakkelijk hun belachelijkheid en hun dwaasheid demonstreren, als ze in de vorm van een systeem worden gegeven, waarbij de systematicus al direct zijn onkunde op duizend gebieden aan den dag legt, of de uitwerking over moet laten aan epigonen die het terrein beheersen, maar dan ook aan de beschrijving ervan niets toevoegen dan de eentonige herhaling van de paar formules waaruit de wijsheid van den meester in feite bestaat, en dus geeft ze de voorkeur aan wat ik „romans” en „autobiographieën” genoemd heb, waarin de avonturen van den auteur met de tijd en de vrije wil (Bergsons „Les données immédiates de la conscicnce”) of zijn verhaal van de bedoelingen van de Schepping en het Leven worden verteld, een lectuur die ons nog altijd kan interesseren, als we niet meer in staat zijn het systeem ernstig te nemen.
Maar noch de architectuur, noch de literatuur der filosofen blijken bij nadere beschouwing waarde te hebben in zichzelf, want zelfs als we al niet lang hebben opgehouden aan de filosofie als discipline enige waarde toe te kennen, zijn we toch wel sceptisch genoeg geworden om niet te geloven dat de filosofie van meneer A. of meneer B. nu juist de roos getroffen zou hebben. En op z’n best kunnen we dan de filosofie als geheel, de historie van het filosofische denken, als een element van enige waarde zien, b.v. als materiaal voor een psychologie der filosofen, of als stof voor een sociologie die ons het filosofische denken als onderdeel van de maatschappelijke gebeurtenissen laat zien. Zowel de pretentie der filosofie dat ze de koningin der wetenschappen zou zijn, als haar pretentie dat zij het menselijk denken omvat, of er dan toch voor het minst de juiste methode voor zou aangeven, kunnen wij niet meer ernstig nemen, sedert we maatschappijen en hun beschavingen bestuderen, en daarbij ook de vele filosofieën dier vele maatschappijen ontmoeten.
Als we dus te maken hebben met een figuur als Bergson, die gedurende een kwart eeuw of langer de meest gelezen filosoof in Europa is geweest, en ook vrijwel de enige die een grote invloed op de geesten heeft uitgeoefend, in de eerste plaats in Frankrijk, maar ook ver buiten de Franse grenzen in de hele Westerse wereld, dan kunnen we niet volstaan met de „filosofische stromingen” in Frankrijk en daarbuiten aan te geven, om op die wijze de Berg-soniaanse filosofie als een typisch product van een bepaalde periode te onderkennen, maar wij moeten daarnaast een beeld proberen te vormen van het gehele geestesleven dier periode en dier wereld, waarin, om een paar namen te noemen, Maeterlink en Van Gogh,
190