gevolge moet hebben. Dat is gedifferentieerde en genuanceerde, oftewel beschaafde logica — géén dialectiek.
Als dus Reich naar dialectisch materialisme zoekt, bewijst hij slechts dat hij niet weet waaraan werkelijk behoefte is. Niet of Freud ergens in past is van belang. Wél of de resultaten van Freud’s onderzoekingen bruikbaar zijn om ons enige maatschappelijke verschijnselen te leren verklaren. Nu kan men natuurlijk de individuele psychologie klakkeloos op de maatschappij toepassen. Men zou dan op z’n best tot een aantal literaire uitdrukkingen komen, van dezelfde waarde als b.v. de mededeling dat de maatschappij aan bloedarmoede lijdt, of een bloedneus heeft opgelopen. De meeste toepassingen van de psychoanalyse op maatschappelijke verschijnselen maken dezelfde indruk als de vroegere pogingen de maatschappij te beschouwen als een organisme, en van z’n cellen, z’n zenuwstelsel, z’n bloedsomloop te spreken.
Men zal het dus op een andere manier moeten proberen en inplaats van met symbolische vaders en moeders met reëele vaders en moeders moeten werken. In dat opzicht zijn er in het werk van Reich, naar mijn mening reeds elementen van waarde te vinden. Maar het feit dat hij vastbesloten is alles wat in strijd zou zijn met het marxisme, daarom te verwerpen, wijst op een bevangenheid die voor een wetcnschappclijken onderzoeker ontoelaatbaar is. In werkelijkheid vinden wc bij Reich een sterk, conservatieve, ja reac-tionnaire kant, een — ondanks alle uiterlijk radicalisme — innerlijke angst voor het nieuwe, dat nooit zó nieuw mag zijn, dat het heilige marxisme in gevaar komt.
De vroegere Commintern-gelovige, is thans met krampachtige verbetenheid een Marx-gclovige. En de psychologie van de gelovige beheerst z’n werk! Hij onderzoekt slechts een deel van de werkelijke zwakheden en fouten — niet óf men winnen kan, en hoe men winnen kan, neen, het staat immers dialectisch-materialistjsch vast dat het heilige proletariaat moet zegevieren.
Door de mentaliteit is veel van zijn werk onverteerbaar en onbruikbaar geworden. Ik kan dit bier niet nader aantonen, dat vereist een aparte studie.
Voor nu wilde ik er slechts op wijzen dat de grondgedachten van Reich en anderen onjuist zijn, voor zover zij menen het in de richting van het dialectisch materialisme te moeten zoeken.
Bij alle waardering die het pogen van Reich verdient, moet gezegd worden: zolang hij daaraan blijft vastzitten, zal hij nooit anders dan lapwerk verrichten.
187