deren ongetwijfeld dat in de tik van de stok en het uitspreken van de formule, de „verklaring” te vinden is van de haas die uit de hoed komt.
In werkelijkheid kan men in de maatschappij constateren dat sommige processen verlopen in de vorm van een botsing tussen tegengestelde krachten — en zulke processen zijn gemakkelijk onder het dialectische schema te vangen — terwijl andere in een geleidelijk en langzaam zich uitbreiden van een nieuw verschijnsel bestaan en weer andere in een plotselinge onweerstaanbare uitbarsting. Brengt men dat alles onder één formule, dan wordt óf die formule (de dialectiek) nietszeggend, óf men handhaaft de formule door de feiten geweld aan te doen.
Natuurlijk kan men aan al die gevaren ontsnappen door in de practijk de dialectiek nooit te gebruiken. Zo hebben de meeste marxisten ook gehandeld en een van de voornaamste epigonen, Kautsky, heeft zelfs in z’n theoretische beschouwingen ternauwernood notitie van de Hegelse schone genomen. Rosa Luxemburg gebruikte de dialectiek alleen als ze over dialectiek sprak — moest ze economische of politieke onderwerpen behandelen, dan gebruikte ze de logica van scherpzinnige veelwetende mensen, d.w.z. een zeer gedifferentieerde en genuanceerde logica.
En geen enkel marxistisch staatsman is ooit, als hij een practisch probleem op te lossen had „dialectisch” te werk gegaan. Laat men toch eens één passage uit de werken van Lenin, Trotski, of wie dan ook aanhalen, waar ze, gesteld voor een practische kwestie, redeneren: dit is de stelling, dat is de tegenstelling, wij moeten dus tot die synthese komen. Op z’n best kan men zichzelf als één der krachten zien, en nagaan wat de resultante dier krachten vermoedelijk zal zijn — maar een resultante is geen synthese, een resultante is een product der logische niet der dialectische ontwikkeling. Neen, de marxistische staatslieden gebruiken in de practijk nooit iets anders dan een — zo verfijnd mogelijke — logica. En Lenin, bij gelegenheid van een politiek debat z’n tegenstanders — Boecha-rin en Trotski — uitleggend wat „dialectiek” isx) geeft een definitie, die niets met dialectiek en alles met de relativiteit aller verhoudingen en hun voortdurende veranderlijkheid te maken heeft, en hij maakt duidelijk dat iedere verandering van nuance in de toestanden ook een verandering in het oordeel en in het gedrag ten-
a) Het feit dat Lenin aan zijn voornaamste medewerkers moet uitleggen wat dialectiek is, bewijst al afdoende dat we hier niet met een vaststaande wetenschap te doen hebben. Een professor in de wiskunde legt z’n collega’s niet meer uit wat de grondbeginselen der vlakke meetkunde zijn. Maar ieder marxist vertelt van de andere dat hij geen verstand heeft van dialectiek.
186