De dialectische methode kan alleen dan enige zin hebben, als algemene altijd geldende leiddraad, indien inderdaad vaststaat dat alles zich dialectisch ontwikkelt. Of men dat nu „idealistisch” opvat in de oorspronkelijke Hegeliaanse zin, dan wel „materialistisch” in de Marxistische zin, maakt alleen in zover verschil dat men Hegcl moeilijker kan controleren dan Marx, want aan de „zelfontplooiing” of „zelfontwikkeling” der „Idee” kan men vrij gemakkelijk een punt kletsen — controleerbaar wordt men eerst zodra men zich met waarneembare dingen bezig houdt, onverschillig of die dingen „geestelijk” of „stoffelijk” zijn. Zodra dus Hegel gaat spreken over de ontwikkeling van de godsdienst, de moraal, de rechtsopvattingen, is hij evengoed te controleren als Marx indien deze het over recht of moraal heeft. En als Hegcl over economie of geschiedenis of natuurwetenschappen spreekt, moet hij tenslotte dezelfde verschijnselen verklaren, die de materialist Marx moet verklaren. De mededeling van Hegel dat al die verschijnselen slechts de „buitenkant van de Idee” zijn kunnen we voor kennisgeving aanvaarden — hij kan wat ons betreft van „binnen” alle gelijk van de vismarkt krijgen, maar als hij over de „buitenkant” nonsens beweert, verklaren we dat hij niet ernstig te nemen en niet bruikbaar is, en laten hem verder rustig spelen met de „Idee” en met de visvrouwen van het type Bolland.
Op een bepaald ogenblik moet de Hcgeliaan bij precies dezelfde dingen terecht komen als de Marxist, d.w.z. bij de „materiële” dingen waarbij onder „materieel” verstaan moet worden alles wat op de een of andere wijze waarneembaar is, niet slechts „stof” maar ook dus: hoop, geloof en liefde.
Vandaar dat de tegenstelling tussen Marx en Hegcl minder groot is dan men gewoonlijk aanneemt en dan Marx zelf meende — het verschil bestaat slechts hierin dat Marx op natuurlijke wijze over natuurlijke dingen praat en dat Hegel vóór hij daartoe overgaat een paar gcbedsformules verricht en na afloop weer. En of men nu met Marx meent dat de natuur zich dialectisch ontwikkelt, of met Hegel dat de Idee het doet, zich openbarend in de natuur, dat heeft geen ander verschil dan dat over Hegel een wierook-luchtje hangt en over Marx niet.
Maar voor beiden staat het vast dat die ontwikkeling „dialectisch” Is. En dat is het eigenlijke hoofdpunt. Of het marxisme „materialistisch” is of niet, doet er veel minder toe dan de marxisten en hun tegenstanders menen — alle normale discussies tussen mensen, alle contact tussen mensen, alle contact tussen mens en natuur, heeft betrekking op materiële dingen, waarmee ieder, idealist, materialist, gelovige of ongelovige rekening te houden heeft; en alleen dat
182