Brink, Fruin en Buskcn Huct — natuurlijk in het voorste gelid moest plaatsen. Van Huizinga’s verder werk ken ik alleen de opstellen in De Gids waarin men, verspreid, de belangrijkste van de opmerkingen en gedachten kan vinden, die thans bijeengebracht zijn in het boek In de schaduwen van morgen. Bijeengebracht, niet tot een nieuw geheel geworden, want wat als terloopse opmerking in cultuur-historische essays zo belangrijk scheen, omdat het even de grote kwesties van heden aanraakte, dat is thans, nu wc een verzameling van honderd ,,aanrakingen” hebben gekregen, nu het heden van vele kanten bekeken wordt en betast, zonder dat ooit ergens doorheen gekeken wordt en zonder dat in enig opzicht doorgetast wordt, niet slechts teleurstellend, — het is oppervlakkig en banaal.
Is dat dan niet een reden ook het boek van Huizinga te laten voor wat het is: een mode-product dat één seizoen als „best seller” wedijvert met Vrouw ]acob en met al die andere geweldige romans, die na een maand reeds vergeten zijn, en diep-indringende studiën uit wier diepten nooit iemand iets zal ophalen? Het is onmogelijk, want Huizinga’s geschrift, ofschoon van nature geen blijvertje, is met alle mogelijke middelen tot een couveusc-kindje van de roem gemaakt: het wordt kunstmatig in het leven gehouden en het wordt snel opgekweekt, omdat er behoefte is aan een wonderkind van Nederlands geestesmerk — althans fabrikaat.
Wie goed oplette kon getuige zijn van de geboorte van een nationale beroemdheid, ja meer nog, hij kon zien hoe een „geestelijk leider” aan de lopende band gefabriceerd werd.
Daar was eerst die tafelrede daar in Amsterdam voor de „captains of industry”, die van tijd tot tijd een „groot man” uitnodigen — Deterding, Colijn — om een speech te houden, wier „historische” betekenis dan door een goed gedresseerde pers met alles wat er aan publicitcitstcchniek mogelijk is, wordt uitgelawaaid.
De zaak was heel duidelijk: het gezelschap van de „Industriële Club” heeft van tijd tot tijd behoefte aan lieden die verkondigen dat dit gezelschap werkelijk nog wat anders en wat meer is dan de grootste verzameling poenen waarover het lieve Nederland beschikt, de heren mitsgaders hun wereldje hebben behoefte aan wat men noemt „geestelijke rechtvaardiging”. Zolang de aanvallen op het gezelschap uitsluitend van „links” kwamen, kon men volstaan met iemand wiens „geestelijke” kwaliteiten heel erg vermengd waren met „materiële”, iemand van het type Colijn. Maar toen men ook van „rechts”, door Mussert c.s. werd aangevallen, ontstond de behoefte aan een zuiver geestelijk wezen, iets dat niemendal te
107