naar de sabbatkaarsen. En voelde me zo sterk als veertig jaar geleden . . .
Ze waren er tijdig, de Liepmannen. Zaterdagmorgen om negen uur ging ik hen voor naar mijn werkkamer. Beiden waren ernstig, hetgeen me bijzonder opviel van de opgeruimde Josafat.
‘Jongens,’ begon ik, ‘we zullen het kort maken. Oké?’
Geber keek me breed lachend aan en was daardoor beslist niet zo lelijk.
‘Waarom glimlach je zo, Geber?’
‘Ik denk aan Ben Cartwright en zijn jongens uit Bo-nan^a. Daar komt ook alles terecht.’
‘Ik ben blij dat je het zo ziet. Luister. Allereerst een instructie van mijn broer Salomon. Jullie hebben nog 15 % in Koerlander Zeep. Die moeten worden verkocht aan Koerlander en Casseres in New York. Beurskoers. Het geld dat vrijkomt versterkt jullie liquiditeit met bijna vier miljoen.
‘Goddank,’ liet Josafat zich ontvallen.
‘U versterkt ook uw familiebezit enorm, meneer Koerlander,’ zei Geber en bleef maar knikken.
‘Ja, dan hebben de Koerlanders weer bijna 70% in de zeep. Van vader op zoon traditie. Verder. Jullie exploiteren een octopus. Een dochter met zo’n veertig winkels. Dat is niet goed. Je bent fabrikant of grossier of winkelier. Deze drie soorten bedrijf in één hand is zelfoverschatting. We kiezen fabrikant, dat kennen jullie, dat ligt jullie. Die veertig winkels moeten worden afgestoten.’
‘En bloc?’vroeg Geber een beetje benauwd kijkend, ‘ik geloof niet dat er nu zo’n koper te vinden is.’
285