maal goed ons brood? Maar ja, mannen hebben nu eenmaal een vechtziekte, een grootheids-mesjoggaas. Laat het nu sjolaum zijn.’
‘Het is sjolaum, Bekkie,’ zei Salomon ernstig.
Toen keek ze naar Geber Liepmann. Zei: ‘Heb respect voor de sjolaum, Gebbie. Het klinkt mesjogge, m’n jongen, maar de heren zijn oudsten van Israël. Ze vertegenwoordigen de neshomo van je vader. Olam wes-jolam.’
Toen rees ze langzaam op. Zo waardig. En wij, de oudsten van Israël, zagen een stammoeder.
Geber belde. De deur ging open. Een jonge gezelschapsdame trad binnen en leidde omzichtig Rebecca Liepmann de werkkamer uit.
Toen vroeg Geber het zakelijke gedeelte te willen bespreken in tegenwoordigheid van Josafat. Salomon stemde toe.
‘M’n broer zal dat doen in z’n functie van president-commissaris. Nu zou ik graag de fabriek van binnen zien.’
En ’s avonds stelden Salomon en ik de richtlijnen op voor Liepmanns Eau de Cologne en Essencefabrieken N.V.
Vrijdags vertrok Salomon met zijn secretariaat. Hij wilde niet blijven voor nog een weekend. Hij reisde naar Stockholm voor een gesprek met Zweedse bankiers, maar beloofde voor zijn terugkeer naar Amerika nog een lang weekend te komen logeren.
‘Wordt dat niet te duur, Salomon. Met die hofhouding bij jc?’
‘Debbie, wat dat reisje me kost verdien ik dik en dik
279