waarom komt u. En uitgerekend nu?’
‘Ja m’n zoon, uitgerekend nu. Ik wil de heren toespreken.’
We waren onmiddellijk opgestaan. Hoog torenden wij boven deze kleine grijze dame. Ze reikte ons de hand. Geber schoof vlug een gemakkelijk fauteuiltje bij. Blijkbaar is dat bestemd voor zijn moeder, wanneer ze hem eens opzoekt in de ‘zaak’.
‘Mare ken ik. Hij wordt misjpoge door zijn Judith met mijn Josafat. U ken ik niet, meneer Salomon.’
‘Denkt u, dat ik Titus ben, mevrouw?’ Salomon glimlachte.
‘Nee, dat zie ik niet in uw ogen. Hoe oud bent u nu, meneer Salomon?’
‘Zeventig, mevrouw Liepmann.’
‘Unbeschrië,’ zei ze werkelijk gemeend, ‘ik ben tachtig. M’n jongste, de aanstaande schoonzoon van Mare, kreeg ik toen ik vijfenveertig was. Abrahams vrouw heeft school gemaakt.’ Ze glimlachte, wij ook.
Ik bekeek haar. Nog was haar gezichtje knap. Itzik Liepmann had een mooie vrouw. De hele Kehilla had zich twee generaties lang verwonderd hoe hem dat gelukt was. Salomon sprak:
‘Mevrouw!’
‘Toe zeg nou maar Bekkie! Jidden onder elkaar,’ vleide ze.
‘Goed. Het is wel overrompelend, maar... eh... Bekkie we zijn geen shougets. We willen alleen het goede met je jongens.’
‘Goddank. Ik ben bang geweest, geloof me, doodsbang. Itzik olam wesjolam is soms lelijk tegen jullie geweest. Tegen m’n zin. Waarom? We hadden toch alle-
278