leiding. Directeur Verkoop klinkt heel aardig, maar ik vind dat hij veel meer in zijn mars heeft.’
Geber Liepmann bewoog niet. Slurpte even van zijn koffie, stak een sigaret op, legde die nerveus weer neer. Keek naar ons. En hij haatte ons.
‘Geef nu maar de linkse directe, meneer Salomon,’ zei Geber.
‘Gelukkig, meneer Salomon. Dat klinkt veelbelovend uit de mond van een jongeman tegen een zeventigjarige. En ik ga je van nu af Geber noemen. Nou, Geber, er zijn twee mogelijkheden. Je ziet ons als twee keiharde kapitalisten of je beschouwt ons als twee jiddisje patroons, die het goed met jullie menen. Die Nv-vorm lap ik aan m’n laars. Dat is de vorm naar buiten. En de rechtspersoon voor de wet. Wat kies je?’
Geber Liepmann tuurde voor zich uit, toen naar het geschilderde portret van Itzik Liepmann, zijn vader. Wat leek Geber gruwelijk op de oude Liepmann. Hij zuchtte. Antwoordde:
‘Het valt niet mee een laars in de nek te voelen.’
Daarom zei Salomon:
‘Er zijn Assyrische reliëfs in steen. Daarop staan joden met een koord rond de nek en aan elkaar gebonden. Er is ook ergens een reliëf dat laat zien hoe een koning een te voet gevallene helpt met opstaan, Geber Liepmann.’
Op dat ogenblik ging de deur open. Blijkbaar ondanks het rode boze oog op de gang. Een oude gebogen dame schuifelde binnen, wat leunend op een stok. Terstond herkende ik Rebecca Liepmann, de vrouw van Isaac. Bekkie van Itzik zoals ze vijftig jaar geleden door de Kehilla werd genoemd.
‘Moeder!’ riep Geber en liep naar haar toe. ‘Moeder!
277