ding niet als mevrouw uit logeren is en meneer dus alleen thuis. Zegt men ...
Donderdagmorgen reden Salomon en ik naar Liepmann. Hij was bijzonder opgeruimd. Ze waren nog wat langer in Amsterdam gebleven en gistermiddag pas teruggekeerd. Ook Debbie had het volkomen naar haar zin gehad, zodat ze me een beetje verwijtend zei: ‘Waarom doen wij dat niet eens samen?’
Ik knikte wat nadenkend en antwoordde: ‘Geef me zo nu en dan een duwtje, anders verdwijn ik helemaal in zaken.’
‘Maak je borst maar nat, broeder. Dat heb je niet tegen een dove gezegd.’
Toen we de fabrieken hadden bereikt, wandelde Salomon op zijn gemak rond het hele complex. Liepmann staat vrij op een groot terrein.
‘Tjonge, tjonge, wat een reukwaterburcht. Als zoiets in de middeleeuwen veroverd had moeten worden, was het enige wapen rioolwater geweest.’
We stapten binnen.
Liepmann lijdt niet alleen aan de titelziekte, maar de inrichting is van een soort ‘kapsones de luxe’, zoals Flo-ris Waerdein dat eens formuleerde. Salomons gezicht betrok toen wij de hall betraden.
Een kostbare tafel waaraan twee jonge vrouwelijke receptionisten. Een ingenieus telefoon- en omroepsysteem. Een andere even dure tafel met een portier en twee drentelende piccolo’s. Het geheel in een marmeren ruimte, indirect verlicht, langs de wanden vitrines met de produkten van de firma. En op de grond twee enorme tapijten.
274