‘Josafat, ik heb nog nooit een Liepmann gewaardeerd. Maar jou mag ik.’
‘Goddank, eindelijk wordt de Koerlander-cherem van ons weggenomen. Eindelijk kunnen we weer vrijuit geuren!’
‘Nu je het zegt, Josafat, ik heb het aldoor gemist. Je maakt eau de cologne en je ruikt er niet naar.’
‘Meneer Koerlander, noem me alsjeblieft niet zo bijbels Josafat. Zeg nou Joop! Een fles lotion als u me Joop noemt? Gedaan? Goed! Nou, ik word misselijk van al die eau de cologne en daarom ga ik zondags varen als heerschipper. Een ander gaat fietsen of golf spelen, nee, Jopie gaat varen met de mestpraam. Heerlijk! En evenwichtig. Op de eerstvolgende vergadering van de Europese essencefabrikanten geef ik ze allemaal een flesje gier cadeau. Om die odeurlucht eens kwijt te raken.’
‘Hou je op, verschwarzter nar!’ riep Judith.
‘Wat zal ik doen, meneer Koerlander?’
‘Zeg nou maar oom Salomon,’ riep Salomon.
‘Ome Salomon, wat zal ik doen?’
‘Je borrel drinken en denken dat het gier is.’
Salomon staat z’n mannetje. Maar allengs werd hun gesprek ernstig. Ik hielp Judith een beetje met tafel dekken zodat Salomon en Jo vertrouwelijk konden praten. ’s Avonds, toen Salomon en ik nog wat in de woonkamer zaten na te praten en de vrouwen naar hun kamers waren gegaan, zei Salomon:
‘Mare, als z’n broer Geber net zo vlot en flink is als Josafat wordt Liepmanns Eau de Cologne een prima belegging.’
‘Op de trouwdag wilde ik hem wat aandelen over-
266