Sinds jaren had ik even moeite met me zelf. Want één moment wurgde het in mijn keel.
Josafat Liepmann, m’n aanstaande schoonzoon, kwam om zijn Judith te zien en bij ons te eten. Verheugd rees Salomon op en drukte de jonge stevige kerel bijzonder hartelijk de hand. Zoekend en rad vroeg Josafat:
‘Dus u bent ome Rothschild? Van wie komt u af? Van Nathan, van James, van Meier Amschel. Of van die twee anderen?’
Salomon was onmiddellijk in, antwoordde:
‘Je kent ze goed! Maar je hebt één tak vergeten.’
‘Er waren er toch maar vijf? Niet genoeg?’
‘Liepmann, jongen, je bent vergeten dat de oude Meier Amschel misschien ergens een vriendinnetje had. En van dat vriendinnetje is er misschien een afstammelinge -tje gaan optreden als een Koerlander-moeder. Nah?’
‘U laat me blozen, meneer Koerlander.’
‘Kan jij nog blozen?’
‘Judith,’ riep Josafat, ‘kan ik nog blozen?’
‘Ik ken je pas,’ riep Judith terug, ‘en als je het niet kan, vraag dan les bij David. Die heeft wat gemaakt om te blozen! Oh, oh, verschrikkelijk!’
‘Meneer Koerlander, we gaan samen naar de bloostent van David. Kijken wie wint?’ vervolgde Josafat.
‘En als jij wint?’ vroeg Salomon, terwijl zijn ogen twinkelden.
‘Oh, oh, meneer Koerlander, wat een eeltlaag hebt u dan laten aangroeien op uw monnikenziel. Foei!’ kreunde Josafat.
Salomon wiste zich de tranen uit z’n ogen. Hij ging voort:
265