Toen hij binnen was kwamen Debbie en Judith hem tegemoet in de hall. Hij kuste Debbie op haar voorhoofd, legde zijn hand op haar hoofd en benschte haar.
Judith nam hij in zijn armen, drukte haar tegen zich aan en zoende haar op beide wangen, terwijl hij zei:
‘Eindelijk, eindelijk zo verstandig geworden om te gaan trouwen. Wat een zonde van zo’n ponempie om er zolang aan voorbij te laten lopen. Ik kom met de hele misjpoge naar de bruiloft, de kleinkinderen incluis.’
‘Dat zal wel wat kosten, oom Salomon!’
‘Ook ’n zorg. Voor m’n nages is me niets te duur. En een huisje zal je hebben, m’n kind. Geen oom heeft ooit zo’n huis gekocht voor een nicht. Nooit! En nou eerst je verlovingscadeau. Mare, jongen, waar is m’n koffertje?’
‘Daar zit het niet in, Salomon!’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Zoiets stopt men niet in een koffertje. Voor zoiets neemt men geen risico,’ antwoordde ik.
‘Commissaris Maigret!’ riep Salomon en haalde een pakje uit zijn binnenzak.
En in mijn hall opende Judith het juweliersdoosje. Een platina halssieraad met briljanten. Een vermogen. Judith begon te snikken, wist bijna niet hoe ze danken moest. Ik zei:
‘Nou, Salomon, dat is wel fors!’
En hij antwoordde:
‘Een mesjoggaasje! Als men één nicht nog heeft die een oom wat doet! Draag het met gezond, kind.’
Toen liep hij resoluut de woonkamer in. Wreef zich in de handen en riep:
‘Waar blijft m’n thee, Debbie? Met iets lekkers!!’
264