behoorlijk kattekwaad uitgehaald.’
‘Over de hele wereld hetzelfde, Salomon. Ze hebben hun mond vol met landsbelang, algemeen belang en weet-ik-veel wat nog meer belang. In wezen is het hun eigenbelang.’
‘Intriganten?’
‘En hoe. Sommige hebben zulke sluwe ogen dat men er nooit iets goeds van kan verwachten.’
‘Zijn ze voor de tv geweest, Mare?’
‘Ze staan als ’t ware te dringen om hun smoelen te vertonen. Ze moesten eens weten hoe onmeedogend de tv-camera’s zijn. En dan die sjmoes. Bah!’
‘Ik heb gehoord, Mare, dat er zo langzamerhand een tegenzin wordt geboren tegen jullie politieke stelsel. Dat men naar het tweepartijenstelsel een uitweg zoekt. Net als bij ons over there.’
‘Het zou het proberen waard zijn. Men stemt op een lijst met namen. De lijsttrekker ken je amper. Kan je begrijpen wat de rest doet. Nee, Salomon, een vent die zich geroepen voelt om je te vertegenwoordigen, moet men kennen, moet men eerst horen. Weten wat voor vlees men in de kuip heeft. We zitten zwaar in de sof, Salomon. Geen ideeën, geen kunde, geen vuur en geen voordracht.’
‘Wind je niet op, Mare.’
‘Wind je niet op, wind je niet op?! Ik moet toch onder zo’n stelsel en zijn machthebbers leven?’
Salomon zweeg, we waren bijna thuis. Toen hij mijn huis weer zag, glimlachte hij. Zei:
‘Eijn, weer een weekje warmte en gezelligheid.’
Het ging me door merg en been.
263