kraagjes. Ouderwets en gehuicheld, brullen ze nu. In ieder geval was het decent en bekoorlijk. En meer dan een halve eeuw geleden.
Toen kwam de trein. Ik neep mijn ogen wat tegen het licht. Uit een wagon zag ik een jongeman stappen, toen een meisje en nog een jongeman. Daarna de rots Salo-mon.
Terwijl ik hem begroette bleven de jongemannen en het meisje wat terzijde staan en verzamelden de koffers.
Daarop stelde Salomon ze voor. Een directiesecretaris, een expert, een secretaresse. Ik keek blijkbaar verwonderd om dit reizend secretariaat. Salomon vertelde me vlug terwijl we het perron afwandelden, dat hij een belangrijke internationale conferentie in Parijs had meegemaakt.
De nog jonge mensen namen bij de taxistandplaats afscheid van hun ‘big boss’. Zij zouden in Den Haag logeren en hadden verlof tot de gezamenlijke terugreis.
Toen we in mijn auto wegreden naar Wassenaar, vroeg Salomon op zijn jiddisj, waarom ik een auto met chauffeur hield. Hij zei alleen:
‘Oi?’
En op zijn jiddisj antwoordde ik met een wedervraag. Waarom hij met drie stafleden naar Parijs was gereisd:
‘Oi, oi, oi!?’
Zulke vragen tussen joodse broers hebben geen nadere uitleg nodig. Ze weten dat de uitgaven noodzakelijk zijn, want zij geloven niet dat een van beiden een dwaas is.
Tijdens de rit zei Salomon:
‘Ik heb gelezen dat er weer een nieuwe informateur is ingezet door de koningin. Die fractieleiders hebben
262