knipt. Ari den Heyer was op weg naar de burgerman. Zijn haar was nog te dik en hij droeg nog steeds een zeemanshaard. Maar ik heb goede hoop . . . ‘Wat denkt u van mijn kop,’ vroeg Egbert Jan, omdat hij als schilder m’n vorsende blik had opgemerkt. Ik raadde goed.
‘Noodzakelijk daar in Parijs?’
‘Precies. Het zijn de vrouwen, meneer Kocrlander. Een vent zonder biedermeiersmoel bekijken ze niet. Af-fijn, het is nog altijd beter dan die kale knar van Yul Brynner.’
‘Het gaat allemaal wel over, waar of niet, meneer Koer-lander. As strakkies de kooters komme kin je d’r toch nie meer ba lope as ’n nozem.’
Toen kwam Judith binnen met de glazen. De jongemannen konden zich niet goed beheersen, want zij floten Opeens Spontaan. Dat is blijkbaar nog mode. En mijn Judith lachte met al haar witte tanden bloot, haar groengrijze ogen weerlichtend in de hoeken van haar ogen. Toen ze naar de deur liep, een beetje wiegend met de heupen, staarden de mannen gefascineerd naar haar benen. De ban was gebroken toen de deur in het slot viel.
‘Davids zuster,’ lichtte Egbert Jan toe.
‘Godsamme hée,’ mompelde Ari den Heyer.
Een vader moet altijd iets verslikken wanneer jongemannen op hun manier hun bewondering uiten over een dochter. Er ontwaakt blijkbaar een oerinstinct om de vrouwen van de clan te verdedigen. Wat hebben de vaders van de Sabijnse maagden veel moeten verslikken. Velen zullen in hun machteloze woede zijn gebleven.
Ik beloofde Ari den Heyer zijn zaak te komen bekijken zodra ik in Amsterdam zou komen. Hij wilde wel
260