besteeg. Sprakeloos staarde ze me na. Gelukkig gebeurt het nu meer dat ik haar sprakeloos maak.
Egbert Jan-weet-ik-veel en Ari den Heyer veerden op toen ik mijn werkkamer binnentrad. Gelukkig hadden ze de balkondeuren opengezet zodat de rook van de talrijke sigaretten was weggetrokken. Een asbak was bijna vol met peukjes.
‘Mijne heren, dat is een verrassing.’
‘Morge, meneer Koerlandcr. En ik hib ’m maor offe naor hiero gereje, want ik most u toch vraogc te komme as m’n tent kommende week ope gaot.’
‘Zo! Dus alles verloopt volgens de plannen?’ vroeg ik.
‘Meneer Koerlander, ik hib een moordgriet geënterd. Wat ’n waaf. Staot voor niks.’
Eiij smakte ervan.
‘En ik ben gekomen om onze afspraak te regelen, meneer Koerlander. Wanneer kan ik beginnen met mevrouw te schilderen?’ vroeg Egbert Jan.
Ik ging achter mijn schrijfbureau zitten en met een uitnodigend gebaar verzocht ik hun plaats te nemen.
‘Sherry, mannen?’
‘Altijd, meneer Koerlander, al was het midden in de nacht.’
Ik stond weer op. Riep over de. trapleuning óm sherry.
‘Joel!’ was het antwoord van Judith.
En wachtend op de sherry en sigaretten aanbiedend bekeek ik hen vlug.
Egbert Jan was weer teruggevallen tot lange haardracht maar geen meidenstijl. Romantisch, biedermeiertijd. Dik hoofdhaar met een lok op het voorhoofd, dikke bakkebaarden, een begroeide nek. Het stond hem ook niet, de kleur van zijn haar deugt alleen voor kort ge-
259