Dat was demagogie. Wat ik gehaald had, was nauwelijks nodig voor vandaag. De soep was klaar, de kippen rustten in de ijskast. Ik keek broeierig naar de boodschappen en naar Debbie. Het zou wel goed zijn afgelopen als de Engel des Heren me niet op de schouder had getikt:
‘Ziet u, meneer Koerlander, wat er van u aan het worden is? Ik ontmoet dat bijna overal bij rentenierende echtparen. De man transformeert in een meisje voor dag -en-nacht of een werkvrouw. Vanaf maandag stevig aan het werk, meneer Koerlander, anders wordt het nog eens stofzuigen, driemaal op een dag een vergeten boodschap, de ramen zemen en bedienen op de bridge-mid-dag. Weg wezen, Marcus Koerlander!’
De Engel des Heren heeft me nog nooit zo volks toegesproken. Maar warm uit de oven heb ik Debbie gezegd dat ze voortaan alleen bij hoge uitzondering voor dat soort bezigheden op me rekenen kan.
Debbie keek me sprakeloos aan. En ze bleef dat. Een ongelofelijke zeldzaamheid.
Ik zat aan het hoofd van miin ‘sjabbestisch’. Keek rond. Rechts mijn Debbie, naast haar Marionnetje, dan haar moeder Francina en Chaim; links mijn Judith en Josafat, dan Stephanie en David. Tegenover mij was vrij. Niet lang. De Engel des Heren nam er plaats.
‘Maak Kiddush, Marcus Koerlander.’
Ik deed zoals mij gezegd was.
‘Breek het brood en reik het rond.’
Ik deed zoals mij gezegd was.
‘Zeg de zegenspreuken voor de maaltijd die opgediend zal worden.’
256