Mijn Judith! Met één monoloog veegde ze hem uit haar leven. Eén monoloog op haar kamer in Leiden, tussen drie en vier uur ’s middags. En daarna maakte ze schoon schip met de liefdeszieke professor. En daarna ontmoette ze een kerel, die zij trouwen wil. En vlug. Een gassene, even voor Pesach 1967! Debbie is erdoor verjongd. En ze koopt in gedachten een hele uitzet voor mijn Judith, plus dat huis van Salomon, plus al de meubels. Ze koopt met een tempo van tienduizend guldens per uur. In gedachten.
En David. Een daring young man, noemden we er zo een in onze jeugd. Nu stempelen ze over elkander heen met nozem, provo, moderne jeugd, en de confessionelen zalven met ‘jongeren’. Onze ‘jongeren!’, wat zijn die confessionelen toch dikwijls naar in hun taal, die ze maken als kunststof. Debbie zet tegenwoordig de tv onmiddellijk af, wanneer er zo’n uitgestreken smoel met kunsttaal op het scherm verschijnt. Dan maar liever meneer Stief been en zijn zoon. Hoewel de neiging blijft deze, elkander pestende vader en zoon op negentiende -eeuwse manier uit te fluiten en met eieren en overrijpe tomaten te mitrailleren.
My daring young son heeft een man en een vrouw in marmer gehakt. Parend.
Dat was de rel waarop David heeft gezinspeeld. De jeugd was wild enthousiast, de kritiek sterk verdeeld en hield rekening met de opvattingen van het courantenkapitaal, de kunstkopers durfden niet en verwezen mijn David naar de Parijse of Londense markt. Aan de beoordeling van het werk kwam niemand toe, behalve zijn leermeester. Deze renaissance-ziel keek naar de expressie en de techniek van houwen. Hij kwam speciaal
251