opgetrokken wenkbrauwen en omlaag getrokken mondhoeken. Ik loog met dit gebaar. David knikte wijs en met genepen ogen. Hij had me door omdat Debbie hem zeker al had ingelicht.
‘Kom voor den dag, narrente. Ik wil met je praten. En vader, u gaat maar weer naar moeder. U kunt haar toch niet beter sjmoezen.’
‘Jij wel, David?’
‘Misschien. Ga nu, vader! We komen dadelijk beneden.’
‘We?’
‘Ja. Zet maar vast een opkikkertje klaar. Iets door de mond!’
Ik begon te lachen om de herinnering met het glaasje Campari. Terwijl ik opstond om te vertrekken, zei ik:
‘De patentaanvrage is in zee.’
Na een klein uur kwam hij beneden. Zonder Judith.
‘Ze is gaan slapen. Helemaal rustig. En ik ga naar Amsterdam.’
‘Blijf je niet hier slapen vannacht?’ vroeg Debbie diep teleurgesteld.
‘Jawel. Maar ik ga even naar Amsterdam.’
‘Debbie, ga jij ook naar bed. Ik wil met David praten.’
‘En mag zijn moeder daar niet bij zijn?’
‘Nee, moeder,’ interrumpeerde David, ‘even een woordje alleen met vader. Je komt alles wel te weten, want straks gaat hij toch door zijn knieën.’
Debbie schoot in de lach. Liep op David toe, trok zijn hoofd naar haar gezicht en zoende hem klinkend op beide wangen. En ze ging gehoorzaam.
‘Die vent ga ik op z’n verdommenis slaan,’ zei David en dronk met één teug z’n moeders jus d’orange op.
240