‘Nu ga ik.’
‘Voorzichtig, Mare. Ze wil opeens weer weg naar Vietnam.’
Ik keek Debbie vorsend aan. Ze keek vragend terug. Toen:
‘Ze heeft geen verweer, zei je daarnet. Is het dus de waarheid?’
‘We hebben altijd gedacht dat ze zo nu en dan met een man heeft geleefd. Maar ik geloof het nu niet meer.
‘Heb je het haar op de vrouw af gevraagd?’
Even vertrok Debbies gezichtje een beetje vrolijk. Omdat ik niet vroeg ‘op de man af’.
‘Nee. Zoiets doet men toch niet? Judith is achtentwintig, Mare.’
‘Ja . . . achtentwintig en feitelijk een puber van achttien.’
Ik verliet de woonkamer en besteeg langzaam de trap naar boven. Flitsend dacht ik aan Eli Veidt. Was hij een eerlijk-ouderwetse man, die een maagd wilde trouwen? Of was hij een oosterling die er voor zijn plezier een harem op na had gehouden, maar voor zijn huwelijk de strengste eisen stelde? En als er een stoet vrouwen in z’n leven was geweest, had hij dan daartoe het recht? Nee, dat recht had hij dan niet. Dan moest hij z’n levensgezellin accepteren zoals hij haar ontmoeten zou. Twee mensen gaan hun levenspad, zij weten niet dat zij elkander ooit zullen ontmoeten. Ergens haalt de een de ander in. Zij praten. Zij besluiten de verdere weg samen te gaan. Vanaf dat ontmoetingspunt geldt het respect. Het ontzien van de ander, het voortleven volgens duizenden jaren oude regels. En het vergeten van beider verleden.
Toen ik in de deuropening stond schoot Judith over-
237