‘Ja, kom mee naar binnen, ik wil haar zien.’
‘Wacht tot na de maaltijd, Mare. Ik wil proberen om haar iets te laten eten. Sinds gisteravond heeft ze niets genomen.’
‘Dat hindert niet. Dring haar niets op. Die trek komt vanzelf.’
Ik leidde Debbie naar binnen. Snikkend was ze bedrijvig met al de lekkere dingen die ze gekookt had. En Lenie liep achter haar en was om haar heen met het gezicht van een geestelijke die de laatste gang naar het schavot bijzonder verzacht beschouwt door zijn aanwezigheid.
Debbie maakte een bordje met avondeten gereed voor Judith en besteeg heel zacht de trap. Ik nam niet plaats aan tafel, ik had geen trek. Met een wuivend handgebaar verzocht ik Lenie af te ruimen.
Ik beken dat ik nerveus was. Misschien niet zozeer om de ruzie van Judith en Eli Veidt. Mijn geheel veranderde leven sinds mijn reis naar Israël was daarvan de oorzaak. Ik stak een sigaret op, ik verbeeldde me dat die me goed deed. Ik rookte er nog een en nog een. De oude vriend en vijand had me te pakken.
Toen Debbie weer beneden kwam liet ze me verheugd het halfgevulde bordje zien. Judith had iets gegeten. Maar snel had ze gezien dat ik sigaretten gerookt had. Resoluut maar zonder één woord pakte ze de twee pakjes die er altijd liggen voor bezoekers. Ze nam ze met het etensbordje mee naar de keuken. Weggegooid heeft ze die sigaretten niet, Lenie kreeg meer dan voldoende te roken voor haar en haar verloofde gedurende het weekend. Ik wachtte tot Debbie terug was in de woonkamer. Toen zei ik:
236