‘Ziek?’
‘Mare, ik weet het niet, ik weet het niet.’
Ik pakte Debbie onder haar oksel. Voerde haar mee naar de achtertuin. Dwong haar te zitten op de schom-melbank. Ik nam plaats naast haar en pakte haar linkerhand. Eerst bleef ze voor zich uitstaren. Toen begon ze te vertellen.
‘Die man is gekomen. Die Eli Veidt.’
‘Dat wilde ze toch zo graag?’
‘Jawel. Maar hij heeft een verschrikkelijke scène gemaakt. Over die jonge professor. Hij wil een maagd, zei hij. En uit een gebruikte vrouw wil hij geen kinderen.’
Mijn Debbie begon te snikken en wist niet goed hoe ze haar tranenvloed kon stelpen. Ik nam mijn reserve-zakdoek en wiste haar ogen en wangen af.
‘Wanneer heeft ze hem gezien?’
‘Vorige week is hij gekomen. Het weekend zijn ze uitgeweest. Ze dacht alles is oké tot gisteravond. Toen heeft hij die scène gemaakt. En nu is ze er kapot van. Ze heeft geen verweer.’
‘Houdt ze nog van hem?’
Ze pakte weer m’n zakdoek. Toen greep ze m’n hand en vlijde zich wat tegen me aan. Een toonbeeld van verdriet. Ze fluisterde in m’n hals:
‘Ze wil zich wat aandoen! Mare, Mare, ze wil zich wat aandoen!’
Ik streek haar over de haren, toen vlijde ik m’n wang tegen haar wang en fluisterde terug:
‘Die het aankondigen doen het nooit.’
Ze pakte mijn hoofd en keek me onderzoekend in de ogen.
‘Mare, echt?’
235