‘Zal ik een spoortreintje voor je kopen?’
‘Je weet het, Mare. Alleen een lieve vrouw kan me het spelen afleren. Maar jij hebt er natuurlijk nog geen stap voor verzet!’
‘Wacht af, Salomon!’
‘Een honderdjarige wil niemand. Een actieve broer heb ik, dat wél. Welterusten, Mare. Ik telex morgen.’
Hij legde in New York de hoorn neer. Verstoord keek ik naar mijn toestel. Het leek of de witte cijfers in de draaischijf me pesterig aangrijnsden. Nog meer verstoord legde ik mijn hoorn neer.
Toen ik beneden kwam vroeg Debbie:
‘Wil je fruit, Mare?’
Ik antwoordde zoals Onkel Eli, in Georg Hermanns Jettchen Gebert:
‘Man fragt nicht, man gibt!’
‘Zeg alleen “Onkel Eli”. Dat is efficiënter.’
‘Waarom zeg je dat?’ vroeg ik kregel, want ik dacht aan ‘sorry’ en de seconden van Salomon.
‘De vrouw van een captain of industry moet een efficiënt wezen zijn. Dan kan hij thuis in dezelfde sfeer leven als in zijn zaak.’ Zij lachte wat verstolen voor zich heen, terwijl ze een appel voor me schilde. Waarom nam ze me in de maling?
Besteedde ik te veel tijd en aandacht aan mijn werk en voelde ze zich een beetje verwaarloosd? In de zes jaar van mijn rentenierschap was zij het middelpunt geweest. Oppassen, Mare, niet te véél Koerlander Zeep.
‘Hoe is het met Salomon?’ vroeg Debbie.
‘Hij wil trouwen.’
‘Er is maar één Debbie Hildesheimer. En die heeft al een man.’ Ze glimlachte weer op een bijzondere manier.
231