De eerste stormloop was afgeslagen.
’s Avonds belde ik Salomon. In het kort bracht ik verslag uit. Hij lachte, daarna zei hij ironisch:
‘Je moest toch zo nodig?’
Ik antwoordde op z’n jiddisj en een beetje zorgelijk:
‘Wie niets heeft te doen, maakt zich iets te doen!’
‘Mare, jongen, neem dit van me aan. Iedere guy die meer wil eten dan een boterham met margarine en beter wil drinken dan karnemelk maakt zich iets te doen. Een mens kan niet meer in z’n eentje werken. Dat moet hij doen in teamwork. Nou, Mare, aan het hoofd van zo’n team moet ’n boss staan, anders functioneert het niet. En die boss krijgt daarvoor boter op z’n brood en een plakkie kaas erop. En hij mag volle melk drinken ...’
‘Salomon, iedere minuut kost weet-ik-veel hoeveel guldens!’
‘Bel me dan niet op in m’n eenzaamheid. Stuur me met Rosj Hashana alleen maar een goedkoop kaartje.’
‘Neem me niet kwalijk, Salomon . . .’
‘Sorry is veel korter. Denk aan je seconden, Marcie.’
‘Stuk ongein!’
‘Je wilde weten wat ik gekocht heb, Mare?’
‘Bijna genoeg om Cooper z’n mond te laten houden. En Liepmann hebben we over de kering. Mare, ik begin er plezier in te krijgen. Ik kom gauw over en dan gaan wij een geurende macht opbouwen!’
‘Doe me dat niet aan, Salomon. Waar is m’n menoege gebleven!’
‘Ik doe het je wel aan, Mare. Laat een oude eenzame weduwnaar nou eens lekker spelen!’
230