lopig maar eens proberen Europees te blijven. We hadden het niet zo slecht onder elkaar.’
‘Poeh! Een reeks van oorlogen! Eerst de dorpen tegen elkander, toen de steden, de graafschappen. En uiteindelijk de staten. Besef dan toch! Hoe groter de eenheden, hoe minder kans op oorlog.’
‘Politiek gezien hebt u misschien gelijk. Maar economische grootmachten in een staat maken een einde aan het bestaan van de vrije man. Enorme slavenlegers zullen het resultaat zijn. Ik weet dat het potsierlijk klinkt, maar hoe meer u aandringt des te meer wil ik meevechten op de barricade. Tegen iedere economische machtsconcentratie!’
‘U durft zoiets te beweren? Terwijl u de macht in het bedrijf in uw handen concentreert?’
Hij bette even het voorhoofd met z’n pochette. Hij transpireerde vervaarlijk. Maar misschien kwam het door het vele roken en de drie glazen sherry welke hem aangeboden waren.
‘Ja, meester, ergens vormt zich bij mensen altijd een macht. Mijn macht in dit bedrijf is die van de broodheer. Het klinkt ouderwets, feodaal misschien. Maar bijna drieduizend man zijn verbonden aan onze firma. Daarvan vijftienhonderd gezinshoofden. Ik heb respect voor het brood van een gezinshoofd.’
‘Gelooft u dat Amerikanen dat niet hebben?’
‘Ik weet het niet. Hun films, hun literatuur vertellen dat niet zo duidelijk. Films en boeken tonen de geestesgesteldheid van een volk. Ik verzoek dit onderhoud als geëindigd te beschouwen.’
Wij bogen vormelijk. Ik verliet Chaims kantoor, het aan hem overlatende de man uitgeleide te doen.
229