‘Maar zonder valse stalen sporen, Chaim. We vechten zoals we geschapen zijn.’
‘Vader, wilt u het Francina uitleggen? Zodra ik over zoiets begin, zegt ze iets vervelends en mijn tong is op slag verlamd. Ik weet het, ik ben niet flink genoeg tegen haar.’
‘Goed, zoon. Zeg haar dat ik donderdagochtend bij haar kom koffiedrinken. Morgen heb ik wat te doen in Amsterdam.’
Hij gaf me de hand. Zijn scheepjesklok sloeg vijf uur. Zijn secretaresse trad binnen om te melden dat de chauffeur wachtte om me naar Wassenaar te rijden.
In de laatste week van augustus kwam er nog meer beweging in mijn commissariaat. Misschien is het beter te spreken van deining.
De jurist, zo noemde hij zich steeds tijdens het gesprek, van Grant, Cooper & Grant, kwam om te dreigen en zijn ultimatum te stellen. Als Koerlander Zeep geen commissarisplaats wilde inruimen voor een Amerikaan, in casu mr. Dickson, dan betekende dat oorlog. Hun dochterondernemingen in Duitsland en Frankrijk zouden ons gaan opruimen. In EEG-verband speelden de invoerrechten bijna geen rol meer en de invoerbe-lasting was voor alle importerende landen dezelfde en woog op tegen onze omzetbelasting. Chaim en ik hoorden zijn monologen.
‘Het spijt me, meester Hilberink,’ zei ik toen hij adem schepte en de zoveelste sigaret opstak.
‘Spijt het u om met ons te moeten vechten?’ vroeg hij begerig.
‘Dat niet. Ik houd van strijd. Het spijt me voor u, niets
226