‘Jouw stulpie in Aerdenhout mag er ook zijn,’ antwoordde ik.
‘Ja, dat is waar. Denk maar aan dat toneelstuk: Dat wat je niet hebt.’
Hij installeerde zich in de bergère. Ik bood een sigaar aan. Terwijl ik hem de brandende kaars vóórhield om de sigaar aan te steken, zag ik dat hij er zorgelijk uitzag.
‘Merci,’ zei hij en keek even dankbaar op. Zijn ogen stonden wat treurig.
Ik nam plaats tegenover hem in de andere bergère bij de open haard met de zomeropstelling van eiken blokken.
‘Was ist los, Floris?’
‘Dat mokkel is begonnen me te chanteren,’ zei hij met een diepe zucht. Hoewel de sigaar nauwelijks brandde, tipte hij er al as vanaf.
‘Welk meisje?’
‘Welk, welk? Die typhoer, natuurlijk! Waarmee ik m’n aardappelkookster uit haar lethargie heb gehaald.’
‘Zat het erin, Floris?’
‘Nee, natuurlijk. Je hebt ’r gezien. Ze liep en ze deed als een gravin. Je kan voor zoiets beter een naaimeissie nemen, geloof ik,’ zei hij en schudde nijdig z’n oersterke mannelijke kop.
Ik zweeg en dacht na. Of voor een avontuurtje en regelmatige ontrouw een ateliermeisje te prefereren is boven een directiesecretaresse kan ik niet beoordelen. Zover heb ik Debbie nooit bedrogen.
‘Hoeveel, Floris?’ en ik keek hem scherp aan.
‘Een ton vraagt ze.’
‘Werkt ze nog bij je?’
‘Nee, natuurlijk. Ik heb haar eruitgezet toen ze me
218