onder de indruk van de grote pakketten aandelen van Salomon en mij. Maar toch dacht ze modern. Het betekent dat aandeelhouders een onaangenaam soort indringers zijn. Want het bedrijf behoort toch aan de directeuren en commissarissen? Vooral aan de directeuren. Het is toch hun broodwinning en zij moeten al het benodigde geld toch maar zien te verdienen? Nummer een heb je de fiscus. Die graait als een legendarische draak de beste stukken naar zich toe. En van wat er dan nog over is grijpen de aandeelhouders grote porties. En als alles en iedereen zich heeft volgestopt komen de directeuren aan de beurt. Voor een bescheiden tantième. Arme Chaim, zal ze wel denken, arme jongen, je bent maar een slaaf. Je had beter minister kunnen worden. Maar wat de draak fiscus betreft, daarin heeft ze gelijk.
De derde dag stuitte ik op kantoren met boze rode ogen op de gang. Daarin hokten doctorandi in de economie en de sociologie en de psychologie. Volgens de spelregels moest ik wachten totdat de rode ogen waren geloken en toen kon ik daar binnengaan om kennis met de heren te maken. Chaim had de eerste dag verzuimd al de ‘Führer’ bij elkaar te roepen om ze aan me voor te stellen.
Het waren er vijf. Mannen beneden de veertig jaar, met dik-omrande brillen, met dunner wordend haar, in keurklasse-pakken met pochettes in de borstzakjes, met allemaal een bibliotheekje in hun kamers. En alle vijf met een min of meer geslaagde seksbom als secretaresse. Arme niets vermoedende doctorandi-vrouwen. Ik hoop voor u dat het nooit aan het licht komt.
Vijf! Toen ik met pensioen ging was er géén. Ik deed het toen met een bedrijfsingenieur, een hoofd-