‘Ja, Je moest eens weten hoeveel van die knapen hem eigenlijk niet kunnen betalen. Tachtig procent van de wagens worden gekocht op afbetaling. In een straat waar honderd wagens staan kan je dus op tachtig een papiertje plakken: niet betaald.’
‘Jij kunt er wel tien ineens betalen,’ mokte ze.
‘Zwijg nu, Debbie. Ik doe niet mee aan dat potverteren. Ik heb dertig procent in de zaak. Zeventig procent is dus andermans geld. Die hebben recht op zuinig beheer en een behoorlijk dividend.’
‘De staat neemt bijna de helft van de winst. Zullen ze een beetje minder beuren. Poeh!’
‘Die wet is aangenomen, dus is het de Wet.’
‘Dino demalchoetho dino,’ zei ze opeens in het Hebreeuws.
‘Ja. De Wet van het land, de Wet. Ik zal hem respecteren. Hij wordt al te veel verkracht. Ook door de overheid.’
Ik stond op. Debbie ook. Ze gaf me een zoen op m’n wang. Stille eenheid tussen man en vrouw, nu die man een besluit genomen had. Ik ging uit voor een wande-ling.
Drie dagen was ik van ’s morgens negen uur tot ’s avonds halfzes in het bedrijf. Ik moet bekennen dat het niet mee viel, gewend zijnde aan een geordend rente-niersbestaan. Vooral mijn middagdutje na de lunch miste ik. Maar ik heb in dat zakenpaleis een ongebruikte kantoorkamer ontdekt met een grote stoel erin en een ‘boosoog’ op de gang. Als ik de komende weken dat boze oog felrood laat gloeien door een druk op een knopje, kan ik hier ongestoord m’n halfuurdutje doen.
213