En ik zegde de zegenspreuken. En ik reikte de beker met wijn rond. En ik brak het brood en doopte het in zout. En ik gaf het rond. Zoals duizenden huisvaders uit mijn voorgeslacht dat hebben gedaan.
Salomon huilde.
Ik had hem veertig jaar teruggevoerd. In het huis van vader en moeder. Olam wesjolam.
Salomon vertrok op dinsdag 16 augustus. Ruim drie weken was hij onze gast.
Ik bracht hem naar Schiphol in Chaims wagen. Deb-bie wilde niet meegaan, ze hield van Salomon en dat lange wachten voor het vertrek maakte haar totaal overstuur. Ze heeft gelijk. Neem afscheid thuis en zodra men het tuinhek achter zich heeft is het voorbij. En voor de vertrekkende begint dan het avontuur naar het onbekende. Al is dat meestal zijn huis op duizenden kilometers afstand. Maar Debbie had nog een reden. Twee broers die een leeftijd hebben bereikt dat zij elkander misschien nooit weer zullen zien, willen nog even samen zijn. Zonder vrouw en kinderen, samen met vroeger.
Salomon was bijzonder zwijgzaam, toen de rit begonnen was. Na een tijdje vroeg ik:
‘Bezwaart je iets?’
‘Ja. Een eenzaamheid waarheen ik terugkeer.’
‘Mis je Haggith?’
‘Nu ik jouw Debbie heb weergezien . . . dubbel.’
‘Hertrouw je niet om Haggith?’
‘Tot voor een paar jaar. Nu uit angst dat het alleen om m’n geld te doen is.’
‘Heb je dan nog illusies dat een vrouw een man van onze leeftijd neemt om z’n ponem?’
208