thodoxie was toch de rotsbodem van grootvaders leven geweest? En van vaders leven? Wanneer was mijn verslapping begonnen? Niet in de Eerste Wereldoorlog. Ik was toen te jong om opstandig te durven zijn tegen de geloofsdiscipline in vaders huis.
De Hitlerpogrom in de Tweede Wereldoorlog had me kunnen losbreken uit mijn religieuze gevoelens. Het tegendeel gebeurde. Ik ben geen kerkganger, geen aanbidder van het Woord. Ik heb geen diepe eerbied voor de Rabbaniem en maak geen buiging voor de Kehilla. Maar er is een oprechte ootmoed voor Haqodaush bo-roech hoe. Er is een sterk begrip voor Zijn ethica die geborgen ligt in Zijn tien geboden. Die me zeggen dat er één gezag is, het Zijne. Dat we niet mogen doodslaan en hoereren en stelen en liegen en bedriegen. Dat we onze ouders moeten eren en bij staan. En dat we niet mogen voortrennen in een ononderbroken jacht naar bezit. Maar dat we ons iedere week moeten bezinnen en ons zelf een halt toeroepen. En dat we moeten werken voor ons brood. Met ons verstand en onze handen . . .
Ik opende mijn ogen. Men keek naar mij. Ook Deb-bie. Over het licht van de sabbatkaarsen, waarvoor zij het: ‘Lecho daudie likras Kalloh’ gezongen had.
Ik zag haar blauwe ogen, die nu grijs waren. Ik zag haar rechte neusje, haar welgeschapen mond, haar kinnetje, haar fijne oortjes vlak langs haar hoofdje. En de golvende zilverwitte haren bedekt door het zwartkan-ten hoofddoekje. Ze lachte me toe. Ik zag haar geluk. Dat is hetgeen ik haar geven mocht. Kinderen, brood en dak. Rust. En er zal geen bedelnap zijn op de dag dat ik gevorderd word door de Engel des Doods.
Debbie verwachtte van mij dat ikKiddush zou maken.
207