zij Francina. En versloeg haar op z’n Hildesheimers.
Vrijdagavond begon het. Voor het front van Ruben en zijn huishoudster, voor David en Stephanie, voor Chaim en mijn kleindochter Marion. Zonder extra hulp, dus met Lenie en de werkster voor de afwas, toverde mijn Debbie haar vrijdagavond in ons huis. Judith, haar bondgenote, was ’s morgens gaan inkopen en hield zich aan de voorschriften. Dit bij die, dat bij die, dit bij die. Aan haar fornuis kwam alleen Debbie. Jeanne d’Arc met in haar binnenste de geest van moeder Hildesheimer.
Salomon was stil, blijkbaar ontroerd. Toen Debbie de sabbatkaarsen ontstak en met haar warme stem het ‘Lecho daudie’ zong, wendde hij het gezicht terzij. Ook Ruben had het zwaar, hij dacht aan vroeger. Twee broers zonder vrouwen. Salomon treurend om zijn Haggith, Ruben om zijn Esther. Ik voelde me bijna bezwaard. Omdat ik er nog een heb. Mijn Debbie, die bij tijden het liberale jodendom verlaat om toegang te smeken tot de burcht van de orthodoxie. En wordt toegelaten. En dan over de slotbrug binnentrekt met vlammende kaarsen en zingend: Lecho daudie likras Kallohi
Mijn kinderen. Ontroerd. Joodse kinderen die hetzelfde beleven als bijna allen die kwamen en weer moesten gaan in meer dan vijfduizend en zevenhonderd jaren. Judith met dromerige, vochtige, groengrijze ogen. Dacht ze aan Eli Veidt? Hoopte ze dat hij plotseling zou binnenstappen om haar een sabbatkus op het voorhoofd te drukken? Zoals een joodse man doet op de avond waarmee de sabbat begint.
Chaim. Stil en met neergeslagen ogen. En met verbeten mond. Denkend aan zijn zwak voor Francina, die hem geen joods thuis wilde geven. Wie was mijn
205