‘Het is goed, dat je even theatraal doet. Herinner ik me tenminste dat je voor plaatsen in de schouwburg moet zorgen. Voor zaterdagavond.’
‘De schouwburg is in augustus gesloten.’
‘Dan het Kurhaus.’
‘Misschien is daar een beatfeest.’
‘Waar kan me niet schelen, meneer Marcus Koerlanden Al is het in Groningen. Maar zaterdagavond gaan we met Salomon uit.’
‘Uw wil geschiede ten tweeden male, Deborah Hildes-heimer.’
Toen ze het achtertuinbordes verlaten had, zei Salomon:
‘Dat mis ik nu zo, Mare. Dat gezellige goedaardige kibbelen. Dat “was sich liebt, das neckt sich”. Bij mij? Yes, mr. Koerlanden Of course, mr. Koerlander, please mr. Koerlander. Of meer Amerikaans: Okay S.K.! Helemaal wennen doe je daar nooit.’
‘Hoe lang ben je nu weg uit Holland?’
‘Veertig jaar.’
‘Hoe lang Amerikaan?’
‘Vijfendertig. Wanneer je in een land blijft wonen, je carrière daar maakt en er kinderen verwekt is het beter staatsburger van dat land te worden. Met alle sores en simche.’
Hij keek in de verte. Maar de heesters en de bomen zag hij niet. In die verteblik ontrolde zich zijn leven. Alleen maar zichtbaar voor hem.
Mededeelzaam en larmoyant is Salomon nooit geweest. Van zijn zakelijke moeilijkheden heeft zelfs zijn vrouw nauwelijks iets geweten. Hij hield zich strikt aan de feiten zoals ze zich voordeden. Een kaartje wanneer
192