jou wel eens zien.’
Bij zijn auto gekomen beval hij:
‘En nou eerst je brood voor de vogeltjes, hè!’
Ik gehoorzaamde als een kleine jongen. Ondanks mijn benoeming tot commissaris voelde ik me horig . . .
De volgende morgen kwam Salomon terug van zijn reis naar de misjpoge. Debbie was zo blij hem weer te zien dat ze zwaar gearmd met hem naar de huisdeur liep. En Salomon vond het blijkbaar ook prettig. Tien jaar geleden stierf zijn vrouw. Zijn kinderen doen niet veel om zijn leven wat op te vrolijken. Twee zoons heeft hij, ook als partners in zijn bankiershuis. En twee dochters, welvarend getrouwd met een dokter en een advocaat. Hoewel ze allen in New York wonen en er een dozijn kleinkinderen het geslacht zullen voortzetten leeft Salomon eenzaam. Een huishoudster en personeel, meer is er niet over voor hem.
Hij wilde die morgen niet wandelen. De reis was bijzonder gevarieerd, maar daardoor ook erg vermoeiend geweest. Debbie nam hem onder haar hoede.
‘Er wordt niet gewandeld. De hele dag niet. Na de lunch gaat hij wat rusten en dan gaan jullie maar zitten verdienen en verliezen in jouw werkkamer.’
Salomon schoot in de lach. Ik wilde wat antwoorden, maar bliksemsnel, achter Salomons rug, stak Debbie haar tien vingers in de hoogte en stootte zevenmaal in de lucht. Of ik er maar aan wilde denken dat Salomon zeventig jaar was.
‘Uw wil geschiede, Deborah Hildesheimer,’ zei ik.
Opeens werd Debbie nadenkend, beet daarbij even op haar duimnagel. Antwoordde: