‘Waarom schrikt u? Daarnet in het eethuis heb ik dat ook al opgemerkt. Niet doen. Ik heb geen opdracht om de slottelling te maken. Maar het is wel goed om de mensen tussentijds de stand van hun rekening te laten zien.’
‘Hoeveel was het daarnet? Ik begin een beetje vergeetachtig te worden,’ antwoordde ik ferm.
‘Heb daarover geen zorgen, Marcus Koerlander. Ik kom meestal op tijd om de mensen te helpen zich de stand te herinneren.’
‘Hebt u veel mensen onder uw toezicht?’
‘Ambtsgeheim. Maar ik ben er voor een onbekend aantal. En ik reis sneller dan het licht.’
‘Help me even, wilt u?’
‘Vanzelfsprekend. U had twee maanden geleefd. Slapend, om de drie uur moedermelk, een normaal aantal vuile luiers. Goudgeel. En zo nu en dan een grijnsje. Daarmee vertederde u uw grootmoeder en uw ongetrouwde tante Henriëtte. Uw grootvader niet. Maar dat had uw grootmoeder bedorven.’
‘Hé, hoe kon dat?’
‘Een grootmoeder moet niet tegen grootvader zeggen: Als-ie lacht, lijkt hij sprekend op jou. Dan antwoordt zo’n grootvader: Zo, zo, heb ik het ponem van een zuigeling van twee maanden? En dan speciaal uw grootvader met zijn Franse baard. Die was zijn afgod. Hij besteedde er meer tijd aan dan aan de zegenspreuken voor de maaltijd.’
‘Was grootvader niet vroom, meneer de Engel?’
‘Jawel, jawel. Maar hij was een beetje slordig geworden met de dienst des Heren. Hij had er geen aard voor. Maar wees gerust, op mijn aandringen heeft Haqodaush