‘Wilt u wat zien?’ vervolgde hij.
‘Ja,’ antwoordde ik aarzelend.
‘U hoeft niks te kopen,’ zei hij nog voordat hij naar beneden ging om werk te halen uit Davids autootje. Hij had me door.
Terwijl Egbert Jan buiten doende was met zijn handel keek ik opmerkzaam naar David. Ik zei:
‘Wil je een sigaar?’
‘Waarom kijkt u zo naar me? Om dat autootje?’ vroeg
hij.Ik bood het sigarenkistje aan en terwijl hij er een nam, antwoordde ik:
‘Ja. Verdien je zoveel?’
‘Genoeg om een tweedehandsie te kopen.’
‘Een auto kopen is niet zo moeilijk. Maar een auto houden. Zo’n ding kost per jaar de helft van zijn koopsom.’
‘Vader, doe niet zo ouderwets. Altijd maar sparen en je leven laten voorbijgaan? En als je oud bent en je hebt een paar centen bij mekaar, ben je meestal te ziek om ervan te genieten. Een hartkwaal of reuma, oh, oh, wat heb ik een plezier van m’n geld!’
‘En toch kun je je zo’n ding niet permitteren en . . .’
Egbert Jan trad weer binnen met een schilderij onder zijn arm en een kleine tekenportefeuille. Het debat over de auto en zijn exploitatiekosten was ineens opgelost in het niets.
Het schilderij was een portret. En het was bijzonder knap geschilderd.
‘Kent u deze meneer?’ vroeg hij.
‘Nee, ik heb niet de eer.’
Hij noemde de naam. En zijn bedrijf. En sprak van
176