‘Waarom kan hij niet een week later gaan? Hij is net hier. Zondagmorgen kwam ie. En nou al weer weg. Laat es tellen. Maandag, dinsdag, woensdag, donderdag! Vier hele dagen en nu al geen rust meerl Zeventig jaar! Dan mag men toch wel eerst even een rustige sjabbes houden! En daarna gaan hollen naar weet ik veel.’
‘Laat hem nu doen wat hij wil, Debbie. Amerikanen zijn nu eenmaal een beetje anders dan wij.’
‘Anders? Anders? Mesjogge bedoel je.’ En Debbie keek me boos aan.
‘Debbie, laat je sjabbes nu maar alleen over Judith en mij komen.’ Ik begon dus weer te plagen.
‘Wat zeg je? Mijn sjabbes over je komen? Als een van de tien plagen? Je krijgt niks. Een boterham met stroop, op z’n hoogst!’
‘Nebbisj, onze Judith. Denk eens aan je enige dochter.’
Debbie keek me met genepen ogen aan. Knikte bedachtzaam.
‘Dat is je redding. Je mag mee-eten van de maaltijd en alles wat ik voor Judith maak. Maar anders!’
‘Wat anders, Florence Nightingale?’ vroeg ik.
Ze kwam naar me toe. Trok met beide handen aan mijn revers. Stak haar tong tegen me uit, rukte wat aan me. En verliet snel de kamer. Laat een man niet zo merken dat je wat om hem geeft. . .
Zaterdagmiddag kwam David met Egbert Jan weet-ik veel. Op het eerste gezicht herkende ik hem niet. Egbert Jan was een normale man geworden. Weg die lange rode haren. Verdwenen de uitdragerij waarin hij alle dagen rondliep.
Hij droeg een kostuum uit een of andere keurklasse.
,174