mijn pyjamapantalon dicht. Die had ik blijkbaar vannacht toch nog aangetrokken.
Ik opende de deur en galmde in de kubieke meters van de hall:
‘Ik kom!’
En als de Alpen-echo antwoordde Debbie:
‘J°e!’
Toen ik me omkeerde geeuwde ik hartgrondig zodat m’n ogen er vochtig van werden. En door dat wazige traansel zag ik dat Debbie mijn ’s nachts als boombladeren gevallen kleren had opgeruimd, schoon ondergoed en een ander kostuum voor me had klaargelegd. ‘Ik kom’ duurde met douchen en scheren toch nog drie kwartier. Maar toen daalde de man des huizes in vol ornaat af naar de woonkamer.
‘Salomon wandelt,’ meldde Debbie, ‘en Judith wandelt met hem mee.’
‘Mooi,’ gromde ik militaristisch.
‘En heb nou niet de pest in dat je je verslapen hebt. Morgenochtend kan jij Salomon opwachten bij z’n ontbijt. Dan blijf ik wel boven,’ vervolgde Debbie.
‘Doe je toch niet,’ constateerde ik.
‘Daarin kon je wel eens gelijk hebben.’ Ze glimlachte olijk.
‘Kom hier voor je ochtendzoen,’ zei ik.
‘Alweer?’ plaagde ze.
‘Heb je er dan al een gehad?’ vroeg ik verbaasd.
‘Weet je veel wat jij allemaal doet in je slaap.’
We lachten en knuffelden elkaar. Het was alsof ik niet was weggeweest.
Om halféén stapte Salomon uit Judiths autootje. Ik liep hem tegemoet door de voortuin, want ik had voor
166